Zijn de vele tienduizenden werkenden die dagklussen vinden via het platform Temper freelancers of uitzendkrachten? Dit is de vraag die sinds 2020, toen de rechtszaak van FNV tegen Temper startte, de gemoederen bezighouden. Na een uitspraak in het voordeel voor Temper in 2024 volgde in 2026 een voor het platform minder positieve uitspraak. Waarbij de rechter oordeelde dat Temper toch een uitzendbureau is.
Op 17 juni 2026 mocht ik bij BNR Nieuwsradio bij Thomas van Zijl wat duiding geven aan deze zaak en ongevraagd advies geven aan de nieuwe CEO van het platformbedrijf. Ik ging in op de verschillende rechtszaken tegen platformen in Nederland, de werking van het platform en de verwachte vervolgstappen.
Ik volg deze ontwikkeling vanaf het begin. Zo deed ik in 2020 met Jeroen Meijerink onderzoek naar dit fenomeen. De conclusie destijds: dagklussen kunnen ook via een uitzendconstructie uitgevoerd worden, maar er zijn wel wat beperkingen beide kanten op. En dat de term ‘zekerheid’, die in veel discussies voorbijkomt, best tegenvalt. In de tussentijd is de uitzendwet aangepast sinds die tijd minder flexibel geworden.
Wat was mijn advies aan de CEO? Ten eerste: in cassatie en naar de Hoge Raad. Ik kan mij niet voorstellen dat Temper dit niet doet. FNV had bij verlies hetzelfde gedaan. De 2 jaar die dit bij Helpling en Deliveroo duurde geeft ook weer tijd. Ten tweede: breek het publieke en politieke debat meer open. Temper is altijd naar buiten erg gesloten geweest. Tijd om dat open te breken. Via platformen als Temper hebben vele tienduizenden werkenden naar tevredenheid klussen uitgevoerd. Maar we weten hier nog te weinig over. Wat zijn de elementen die werken en aanspreken? Ga meer MET elkaar in gesprek, spreek niet alleen OVER elkaar. Wat overigens ook een advies richting de vakbonden is. Maar ook voor beleidsmakers: zij zijn immers de grote afwezige in dit debat. En als laatst: anticipeer. Dat er ook een Temper uitzend app is, laat zien dat daar al aan wordt gewerkt.
Daarnaast hoop ik (tegen beter weten in?) dat de discussie meer zal gaan over werk, zekerheden en verplichtingen dan over juridische vakjes. Een grijs gebied zal altijd blijven. Kijk hoe je meer contract neutrale/overstijgende verplichtingen en zekerheden kunt afspreken. Binnen de platformeconomie zie je dat nu gebeuren binnen de Platformwork Directive (Europees) en de ILO Platformwork Convention (globaal). Maak het verschil tussen de twee kleiner, dan is de incentive om te shoppen ook kleiner en kunnen we het weer over de inhoud hebben. Daarvoor moeten partijen over hun eigenbelang heen stappen. En dat is dan misschien wel de grootste uitdaging voor de arbeidsmarkt.
Van 1 tot en met 12 juni komen vertegenwoordigers van werkenden, platformbedrijven en overheden van over heel de wereld bijeen in Genève om bij de International Labour Organisation (ILO) om in gesprek te gaan over een internationale ‘ILO Platformwork Convention’. Een unieke gebeurtenis waar de belangen van alle werkenden in de arbeidsmarkt worden besproken. In deze blog blik ik vanuit een internationaal perspectief vooruit op wat er besproken gaat worden en wat er op het spel staat.
Platformbedrijven zijn voor tussen de 154 miljoen (voltijd) en 435 miljoen (voltijd en deeltijd) mensen wereldwijd op dagelijkse basis de toegangspoort naar werk. In 2022 werd het aantal platformwerkers in Europa geschat op 28 miljoen, met de voorspelling dat dit aantal in 2025 zou zijn gestegen naar 43 miljoen. Hoewel exacte cijfers ontbreken en ook sterk afhankelijk is van een gebruikte definitie, is men het erover eens dat het aantal mensen dat gebruik maakt van de diensten van online platformbedrijven voor toegang tot werk groeit.
Bekend geworden in sectoren als maaltijdbezorging en taxi is er intussen geen sector waar online werkplatformen niet actief zijn. De platformeconomie wordt daarnaast ook wel de kraam- en experimenteerkamer van technologie op de arbeidsmarkt genoemd, wat aangeeft de impact van wat er gebeurt in de platformeconomie en de manier waarop deze wordt vormgegeven gevolgen heeft voor de gehele arbeidsmarkt.
Hoewel platformwerk vaak vanuit een lokale, nationale of continentale context wordt bekeken, is het op veel vlakken ook een globaal fenomeen. Platformbedrijven opereren vaak internationaal en in het geval van online werk bevinden vraag naar en aanbod van werk zich vaak in andere landen, en in veel gevallen op andere continenten. Daarnaast houden platformbedrijven elkaar goed in de gaten, waardoor een werkwijze of businessmodel in één land ook snel in andere landen voet aan de grond kan krijgen. Het maken van afspraken over platformwerk op globaal niveau afspraken is deze en volgende week onderwerp van de 114e International Labour Conference in Genève. Hier komen vertegenwoordigers van werkenden, werkgevers (de platformbedrijven) en overheden samen om afspraken te maken voor de ‘Platformwork Convention’.
Een historisch moment
Het gegeven dat platformwerk in Geneve zo prominent op de agenda staat is historisch te noemen om verschillende redenen. Platformen faciliteren sectoren die ook voor de opkomst van de platformeconomie bekend stonden om de precaire omstandigheden van werkenden. Denk aan maaltijdbezorging, (thuis)schoonmaak, oppas en niet locatie gebonden werk dat werd uitbesteed aan landen als India, de Filipijnen, Kenia en Mexico. Sectoren, veelal opererend in de informele markt, waarvan iedereen wist dat de omstandigheden voor werkenden vaak slecht waren. En die onder andere door het onzichtbare (gefragmenteerde) karakter van de markt en de lage organisatiegraad ervoor zorgden dat overheden en vertegenwoordigers het zich konden permitteren deze groep werkenden in veel gevallen links te laten liggen. Onzichtbaarheid zorgde voor een gebrek aan politieke noodzaak om actie te ondernemen. Platformbedrijven controleren deze markten als spil tussen een gefragmenteerde groep aanbieders (werkenden) en afnemers (klanten), wat zorgt voor een groei van de markt, maar ook een groeiende eenzijdige afhankelijkheid en beïnvloeding door technologie. De zichtbaarheid van deze bedrijven en de groeiende afhankelijkheid van de werkenden zorgde ervoor dat sectoren die jarenlang werden genegeerd opeens wél in de spotlight staan. Dat de toekomst van deze sectoren op internationaal niveau op de agenda staan is, als je het mij vraagt, historisch te noemen.
Historisch ook omdat het proces naar de conventie, leest hier de ‘draft tekst’ die het startpunt vormt van de onderhandeling, ervoor heeft gezorgd dat vertegenwoordigers van werkenden wereldwijd elkaar de afgelopen jaren hebben gevonden om gezamenlijk een agenda te maken. Zo publiceerde een wereldwijde coalitie van meer dan 30 werknemersorganisaties, vakbonden en maatschappelijke organisaties een gezamenlijke verklaring in aanloop naar de ILC en ontstond vorig jaar het ‘Global Platform Workers Solidarity Project (GPWSP)’ een “netwerk van grassroots-organisaties voor platformwerkers uit meer dan 27 landen, dat wordt gesteund door investeerders, maatschappelijke organisaties en onderzoekers”. Ik heb nog niet eerder gezien dat vertegenwoordigers van werkenden op deze manier sector, land en organisatie overstijgend samenwerken.
En als laatst is de discussie in Genève misschien ook wel historisch complex. Complex omdat vertegenwoordigers van werkenden en bedrijven het ondanks de grote tegenstelling in belangen het op sommige punten met elkaar eens moeten worden. En complex omdat de inrichting van platformwerk vaak afhankelijk is van de sector en de institutionele omgeving waarin het opereert. En wat er uit Genève komt ook nationaal en sectoraal moet worden door vertaald. Dit lijkt misschien een onmogelijke opgave, maar naar mijn mening is dit de enige weg: internationale kaders zetten en vervolgens nationaal door vertalen.
Hoe platformbedrijven de arbeidsmarkt veranderden
Platformwerk is onder te verdelen in zowel locatie gebonden als niet-locatie gebonden werk, waarbij unieke of generieke skills worden gevraagd en technologie een lage of hoge mate van invloed heeft op toegang, invulling, sturing, prijsstelling en evaluatie van werk. Wat de sector kenmerkt is dat vraag en aanbod zich bevinden in gefragmenteerde markten met veel informatie asymmetrie, werk is opgedeeld in kleine(re) opdrachten (‘gigs’), de verantwoordelijkheid die normaal bij een werkgever ligt naar de individuele werkende is verschoven en het platformbedrijf als ‘private regulator’ de voorwaarden en regels van het ‘spel’ bepaalt en handhaaft via technologie. De opkomst van platformen in sommige markten en regio’s heeft er ook voor gezorgd dat markten nog gefragmenteerder werden: door diensten als taxiritjes te subsidiëren werd markt ‘gekocht’ en concurrentie uitgeschakeld, waardoor individuele werkenden alleen via het platform nog werk konden vinden. Tegelijkertijd zorgt het freelancemodel dat platformen het zich kunnen permitteren een ‘oversupply’ van werkenden aan te houden, de kosten voor geen werk zijn immers voor de individuele werkende. Wat ook bijdraagt aan een groeiende concurrentie tussen individuele werkenden en uitdagingen in het organiseren van werkenden.
Delivery rider in Kathmandu, Nepal (Martijn Arets)
In veel gevallen bestond het werk dat via platformen wordt gedaan al voor de opkomst van platformen: ook voor Uber, Bolt en InDrive waren er taxichauffeurs en voor DoorDash, Deliveroo en Gojek werden maaltijden door bezorgers op (motor)scooters en brommers bezorgd. Ook maakten schoonmakers huizen schoon en pasten oppassers op kinderen terwijl de ouders een avondje uit gingen. Platformbedrijven verlaagden via technologie de zoekkosten tussen vraag en aanbod, maken het voor beide zijden makkelijker om in de markt actief te zijn en hebben de mogelijkheid om een markt efficiënter te organiseren. Door de centrale positie van het platform liggen er ook kansen om wijzigingen voor een grote groep werkenden (en klanten) centraal door te voeren en zo de omstandigheden van een markt te beïnvloeden.
De grootste uitdagingen (en oplossingen)
De centrale positie die het platformbedrijf heeft in een gefragmenteerde markt is dus uniek. Waarbij de uitdaging ligt dat de belangen van alle deelnemers (vraag, aanbod en platformbedrijf) in een transactie niet altijd op een lijn liggen, terwijl er slechts één partij is die de regels en voorwaarden van het spel bepaald: het platformbedrijf. En hoe je met die verantwoordelijkheid om moet gaan, hoe je iedereen een gelijke(re) informatie- en beslissingspositie geeft en hoe je die positie kunt gebruiken om voor goede condities voor de werkende te zorgen is de centrale vraag in de discussie. Waarbij de focus ligt op inzicht over en invloed op automatische besluitvormingsprocessen, toegang tot data, een eerlijke (of: fatsoenlijke) betaling waarbij de risico’s niet alleen bij de werkende ligt en representatie.
Het gebrek aan inzicht over automatische besluitvormingsprocessen is in veel platformwerk sectoren een groot issue. Werkenden kunnen geen goed geïnformeerde beslissing nemen en ervaren druk van het niet weten van de ‘spel’regels voor toegang tot werk waar zij afhankelijk van zijn. Wat de impact op werkenden is wordt pakkend in de blog ‘From Recognition to Responsibility: Worker-Led Perspectives on Labor Standards for the Platform Economy’ beschreven: “Data workers shared how task allocation is unpredictable, with no visibility into how work is distributed or why opportunities suddenly disappear. Similarly, workers do not know how their performance is assessed, what metrics are used, or how those assessments affect future work opportunities. Such decisions are made with little clarity on how automated processes and human oversight interact. Compounding these opacities, workers have no right to access the data generated through their labor, nor any ability to control how that data is used.”
Gebrek aan toegang tot data draagt bij aan deze intransparantie en asymmetrie in macht tussen werkende en platformbedrijf. In het stuk ‘Kennis is macht, ook in de platformeconomie’ dat ik eerder schreef beschrijft voormalig Uber-chauffeur James Farrar hoe hij hier hinder van ondervond in een rechtszaak tegen het platform. Vervolgens bedacht hij een slimme manier om, als moderne vakbond, toch data te krijgen ter ondersteuning van zijn zaak. Mijn eigen project KlusCV laat zien dat het helemaal niet zo ingewikkeld is om data op verzoek van de werkende te delen, waarbij meer dan 100.000 platformwerkers toegang hebben gekregen tot hun ervaringsdata en ruim 32.000 keer data is opgevraagd door werkenden. Mijn les daaruit is: als je iets wél wilt maak je het eenvoudig, als je iets niet wilt, maak je het complex. Daarom pleit ik er ook om kritischer te zijn waarom systemen en processen complex worden gemaakt. Wie profiteert hiervan? Is dit om de dienst te verbeteren, of om de macht- en informatiepositie te veranderen. In het geval van het steeds complexer worden van manieren om prijzen voor arbeid te berekenen bij on-demand werkplatformen denk ik dat hier echt het laatste het geval is. Dwingen tot vereenvoudigen is hierbij ook een oplossing.
Vergoeding en classificatie van de werkende veelvoorkomende onderwerpen in discussies. Omdat platformwerkers door de meeste platformbedrijven als zelfstandig ondernemer worden geclassificeerd, liggen de kosten en risico’s die normaal bij een werkgever liggen nu bij de individuele werkende. Het is in platform sectoren als bezorging en datawerk algemeen bekend dat werkenden vaak (ver) onder het minimumloon verdienen. Een oplossing hiervoor, en ook voor andere punten, is het in dienst nemen van de werkende. En hoewel dit ook de nodige impact heeft op een markt, is het onderwerp schijnzelfstandigheid een belangrijk onderwerp op de agenda in Genève. Waarbij ik het belangrijk vind te vermelden dat dit in veel landen in de wereld niet altijd bijdraagt aan een betere positie van de werkende en dat in enkele zaken waar het platform de verschuiving van freelance naar werknemer maakte dit vaak werd georganiseerd via subcontractors die ook een stuk van de taart willen hebben. Los van de contractvorm is het belangrijk dat de werkende fatsoenlijk wordt betaald en onbetaalde arbeid zoveel als mogelijk wordt voorkomen. Dit is dan ook de gedachte van het Leefbaar Tarief waar ik vanuit de WageIndicator Foundation aan werk, waarbij de kosten en risico’s die op de schouders van de individuele werkende worden geschoven worden meegenomen in het tarief.
Tot slot representatie. Als er iets is dat de ILC in Genève laat zien is dat organisaties die werkenden vertegenwoordigen elkaar steeds beter weten te vinden. Op individueel niveau worden successen geboekt, zoals het afsluiten van cao’s met platformbedrijven en het neerzetten van een afdwingbaar minimum tarief of minimale standaarden. Nu is het tijd om ook collectief successen te boeken. Hierbij valt het mij op dat er ontzettend veel informatie asymmetrie is in het landschap van vertegenwoordiging van werkenden. Niet alleen is het niet altijd duidelijk wie welke werkenden vertegenwoordigen, maar ook afspraken die worden gemaakt zijn ook niet of slecht vindbaar. Zo zijn cao’s in de meeste landen in de wereld niet openbaar. En hoewel achterliggende motivaties prima te begrijpen zijn, is dit echt een gemiste kans. Platformbedrijven profiteren ook van deze informatie asymmetrie die op deze manier wordt gecreëerd. Daarom is het voor organisaties die werkenden vertegenwoordigen essentieel om het grotere plaatje te zien en ook in te zetten op schaalvoordelen en in standaard alles zo veel als mogelijk openbaar te maken. WageIndicator heeft vele honderden cao’s wereldwijd geanalyseerd in een database, maar eigenlijk is dat van de zotte. Standaardisatie en transparantie aan de kant van vertegenwoordigers is naar mijn mening een zwaar onderbelicht onderwerp in deze discussie.
Tot slot
De discussie in Genève gaat niet ‘alleen’ de platformeconomie, maar over de spelregels rondom de impact van technologie op arbeid. Dan kun je zeggen: ‘daar maak ik mij niet zo’n zorgen over’, maar weet dat, zeker met de opkomst van AI, technologie (en dan vooral de keuzes die we hieromheen maken) een groeiende invloed heeft op de positie en voorwaarden van alle werkenden. Ook voor jou. En dit zomaar kan betekenen dat jouw baan en positie zomaar opeens wel precair wordt. Een extra motivatie om dit debat over de keuzes die we moeten maken rondom de toenemende rol van technologie op de wereldwijde arbeidsmarkt serieus te nemen.
Wat kunnen we verwachten in en na de ILC? Ten eerste: het is een overwinning voor iedereen dat dit onderwerp op de agenda staat. Het is belangrijk om te beseffen dat deze bijeenkomst geen eindpunt is, maar een geweldige kans voor het zetten van een agenda en het starten van (hernieuwde) samenwerkingen. Het verbeteren van voorwaarden voor werkenden is een continu en gradueel proces. En wat er uitkomt? De uitkomst van de onderhandeling moet door zowel vertegenwoordigers van werkenden, werkgevers en overheden worden gedragen. Dat zijn veel tegenstrijdige belangen die elkaar moeten ontmoeten. Dat kan ervoor zorgen dat er een heel zwakke conventie op tafel komt. Of helemaal géén conventie. De tijd zal het ons ler
Door de jaren heen heb ik talloze discussies gevoerd over, en onderzoek gedaan naar, platformwerk. Vaak draait het gesprek om dezelfde vraag: zijn platformwerkers werknemer of zelfstandige? Het is een begrijpelijke vraag. Juridische classificatie bepaalt immers rechten, plichten en bescherming.
Maar hoe langer ik deze markt volg, hoe duidelijker het wordt dat die focus soms ook een valkuil is. Het arbeidscontract is voor arbeidsmarkten in Europa en Noord-Amerika dan misschien wel de standaard: in de ’Majority world’, waar 80 procent van de wereldbevolking woont, is dit niet het geval. En terwijl juristen procederen over definities, verandert de markt ondertussen razendsnel. Platformen passen procedures aan en introduceren nieuwe constructies voordat regelgeving überhaupt effect heeft. Daarnaast zie ik in de praktijk dat een verschuiving van freelancer naar werknemer de werkende minder opbrengt dan gehoopt. Platformen ontlopen hun verantwoordelijkheid door te werken met subcontractors of negeren simpelweg de uitspraak van een rechter.
Hoe kun je bindende afspraken maken met platformen over minimum standaarden voor platformwerkers? Deze vraag stond centraal tijdens een recent WageIndicator webinar, waar onderzoeker Alex Veen van de University of Sydney en Jack Boutros van de Transport Workers’ Union (TWU) in Australië hun ervaringen deelden. Hun verhaal biedt een interessant alternatief perspectief. Niet omdat Australië hét antwoord heeft gevonden – zover is niemand – maar omdat daar, mede door de aard van de organisatie van de arbeidsmarkt, een fundamenteel andere keuze is gemaakt.
Jarenlang bleven ze steken in de vraag of platformwerkers werknemers of zelfstandigen zijn, en het was vooral aan het ‘industrial tribunal’ – de Fair Work Commission – en de rechtbanken om te bepalen of die classificaties juist waren. Uiteindelijk is in Australië gekozen voor een pragmatischer uitgangspunt: welke minimumstandaarden zijn nodig om een sector duurzaam en veilig te laten functioneren? Dat klinkt misschien als een subtiel verschil. Maar het heeft grote gevolgen.
Een typisch Australische oplossing
Om de Australische aanpak goed te begrijpen, moet je eerst iets weten over de Australische arbeidsmarkttraditie. Waar veel Europese landen sterk leunen op cao’s of wetgeving vanuit de politiek, kent Australië al meer dan een eeuw een systeem waarin arbeidsrechtelijke tribunalen een centrale rol spelen.
De Fair Work Commission – het arbeidsmarkttribunaal – is diep verankerd in de Australische systeem. Het idee dat de staat actief minimumstandaarden vaststelt voor sectoren is daar veel normaler dan in veel andere landen.
Volgens Alex Veen is dat essentieel om de huidige ontwikkeliing te begrijpen. Australië heeft niet geprobeerd om een Silicon Valley-model in een klassiek arbeidsrechtelijk hokje te persen. In plaats daarvan heeft het land voortgebouwd op een bestaande traditie van sectorspecifieke regulering. Daarbij ontstond een nieuwe tussencategorie: ‘employee-like workers’. Geen volledige werknemerstatus, maar ook niet het klassieke zelfstandigenmodel zonder bescherming.
Belangrijk detail: deze categorie geldt niet voor alle zelfstandigen. Ze is specifiek ontworpen voor groepen werkenden die formeel zelfstandig zijn, maar in de praktijk weinig onderhandelingsmacht hebben. Een belangrijk detail, aangezien pogingen op andere plekken in de wereld, zoals de AB5 wet in Californië, mede faalden door de generieke aanpak. Door AB5 zouden veel freelancers, zoals journalisten die iedere maand een column voor een krant schreven, in dienst worden genomen. En de platformen hadden intussen hun model zo aangepast dat zij niet meer onder deze wet zouden vallen.
De aanpak in Australië is hiermee veel gerichte en zorgt ervoor dat de discussie verschuift van juridische classificatie naar Industrial Relations.
Delivery rider in Amsterdam, the Netherlands. Foto credit: Martijn Arets
Waarom juist de transportsector in beweging kwam
De reden waarom veel rechtszaken over de juridische classificatie van de werkenden gaan, is omdat het arbeidscontract als de ‘standaard’ vorm van werken wordt gezien. De vertegenwoordiging van werk wordt hier traditioneel ook omheen georganiseerd, wat ervoor zorgt dat vakbonden doorgaans (naar verhouding) weinig oog hebben voor werkenden die geen werknemer zijn. Alleen in sectoren waar ‘self-employment’ veel voorkomt zie ik meer focus op deze groep werkenden. Dit kwam bijvoorbeeld ter sprake in een eerder webinar met de Nederlandse Vereniging voor Journalisten, die een bindend minimum tarief wisten af te spreken voor zelfstandig werkenden journalisten. Bij de Australische transportvakbond TWU speelt die marktdynamiek ook een sleutelrol voor het verkrijgen van minimum standaarden voor platformwerkers in de maaltijdbezorging en last-mile logistiek.
Jack Boutros vertelde tijdens het webinar dat de vakbond ruim 140 jaar geleden werd opgericht door werkenden die opvallend veel lijken op hedendaagse platformwerkers. Koetsiers, bezorgers en transporteurs die per klus werden betaald, geen vast loon hadden en door opdrachtgevers als ‘zelfstandig ondernemer’ werden behandeld. Het argument dat zij ‘eigen baas’ waren, werd toen al gebruikt om sociale bescherming te vermijden.
De geschiedenis lijkt zich met de platformecomomie te herhalen. Volgens Boutros zit precies daar ook de kracht van de Australische aanpak. De TWU heeft altijd ervaring gehad met het organiseren van niet-standaard werkenden: owner-drivers, koeriers en andere contractwerkers in transport. Daardoor keek de vakbond fundamenteel anders naar platformwerk dan veel traditionele vakbonden. Niet de contractvorm stond centraal, maar de vraag: hebben werkenden voldoende macht om fatsoenlijke voorwaarden af te dwingen?
De race naar de bodem was al zichtbaar
Toen Uber in 2012 Australië binnenkwam en later maaltijdbezorging explosief groeide, zag de TWU direct bekende patronen ontstaan. Gefragmenteerd werk, sterke prijsdruk, individuele werkenden zonder onderhandelingsmacht en vooral: veiligheid die onder druk komt te staan.
De cijfers die de vakbond in 2018 verzamelde zijn confronterend. Uit onderzoek van TWU bleek dat bezorgers na aftrek van kosten gemiddeld minder dan de helft van het minimumloon verdienden. Zeven op de tien bezorgers maakten zich dagelijks zorgen om ernstig letsel of overlijden tijdens het werk en één op de drie gaf aan al serieus gewond te zijn geraakt.
Wat opvalt is dat de Australische discussie sterk vanuit sectorlogica werd gevoerd. Dat is niet altijd zo geweest maar is in de loop der tijd steeds belangrijker geworden. Niet alleen vanuit arbeidsrechten. De transportsector is in Australië al jarenlang een van de gevaarlijkste sectoren van het land. Volgens Boutros is een transportwerker er tien keer vaker slachtoffer van een dodelijk arbeidsongeval dan gemiddeld.
Platformisering werd daardoor niet alleen gezien als een probleem voor individuele werkenden, maar ook als een risico voor de duurzaamheid van de hele sector. Een perspectief dat vaak ontbreekt in discussies.
De technologie veranderde de schaal en intensiteit van controle
Veel elementen van platformwerk in de logistieke sector zijn niet nieuw. Wat volgens Boutros wél nieuw is, is de combinatie met algoritmisch en datagedreven management. Platformen in de on demand logistiek en transport voegden via technologie een extra laag van controle toe die bestaat uit ingewikkelde prijsmechanismes, voortdurende monitoring, geautomatiseerde prestatiesturing, ratingsystemen, informatie asymmetrie tussen platform en gebruikers en een permanente dreiging ban deactivatie.
Werkenden kregen bijvoorbeeld vaak onvoldoende informatie over ritten, wachttijden of opbrengsten voordat zij een klus accepteerden. Dit lijkt misschien een operationeel detail, maar het raakt de kern van machtsverhoudingen, want wie informatie controleert, controleert gedrag. Juist daarom bevatten de nieuwe Australische voorstellen ook regels over transparantie: werkenden moeten vooraf beter inzicht krijgen in betalingen, routes en voorwaarden. Dat laat zien dat platformregulering allang niet meer alleen gaat over loon of contractstatus. Het gaat steeds vaker over macht en toegang tot informatie.
Delivery rider in Kathmandu, Nepal. Foto credit: Martijn Arets
Acht jaar campagne voeren
Wat mij vooral opviel in het verhaal van de TWU, is de lange adem en de het schaken op verschillende borden. De huidige hervormingen kwamen er niet via één rechtszaak of politieke doorbraak. Het was het resultaat van acht jaar intensieve campagnevoering. De vakbond combineerde verschillende strategieën tegelijk, zoals onderzoek onder werkenden, publieke campagnes, rechtszaken, directe acties, lobby richting politiek, samenwerking met onderzoekers en druk op platformbedrijven zelf. Boutros noemt dat ‘comprehensive campaigning’. Een belangrijk inzicht daarbij: rechtszaken waren voor de vakbond nooit het einddoel, maar een middel om zichtbaarheid te creëren en het sentiment te beïnvloeden.
Natuurlijk werden procedures gevoerd om werknemersstatus af te dwingen. Maar vooral omdat die zaken publieke druk creëerden en zichtbaar maakten hoe platformen daadwerkelijk opereerden.
Niet omdat de vakbond tegen werknemerschap is, maar omdat een oplossing voor één platform niets oplost voor een sector. Daarnaast was er een risico dat de minder strenge arbeidsvoorwaarden die nodig waren om het Menulog model te laten werken een negatief effect zou hebben op de condities voor werkenden buiten de platformeconomie. Door standaarden niet vast te leggen in het arbeidsrecht, maar vanuit Industrial Relations, zijn de standaarden van toepassing op alle werkenden waar deze standaard op van toepassing heeft, wat voorkomt dat platformbedrijven deze kunnen ontduiken door de arbeidsrelatie op een andere manier vorm te geven.
Delivery riders in Amsterdam, the Netherlands. Foto credit: Martijn Arets
Menulog trok zich uiteindelijk terug uit Australië: het kon niet concurreren met het freelancemodel. Grootste les hieruit is dat individuele afspraken met een platformbedrijf goed zijn, maar dat er uiteindelijk sectorale regulering moet komen. Als één speler hogere standaarden invoert terwijl concurrenten dat niet doen, ontstaat een concurrentienadeel. Of zoals Jack zegt: “niet individuele bedrijven moeten ‘het goede voorbeeld’ geven; de ondergrens van de markt moet omhoog.”
Hoe het nieuwe systeem werkt
Zoals Alex Veen, die platformwerk in meerdere landen volgt, benadrukt in dit webinar dat het belangrijk is om bij deze casus te weten dat dit binnen een specifieke context plaatsvindt. In het Australische systeem onderhandelen vakbonden met bedrijven voor minimumstandaarden, welke worden getoetst door de Fair Work Commission. Deze standaarden worden vervolgens sectorbreed opgelegd. Een proces dat verloopt via consultatie tussen vakbonden, platformen en andere stakeholders.
Interessant is dat het systeem expliciet kijkt naar meerdere belangen tegelijk: veiligheid van werkenden, eerlijke beloning, duurzaamheid van bedrijven en de stabiliteit van de sector. Dit laatste element zie je zelden terug in Europese discussies. Daar wordt platformwerk vaak geframed als een tegenstelling tussen innovatie en bescherming. De Australische benadering vertrekt vanuit een andere gedachte: een markt zonder minimumstandaarden is uiteindelijk óók slecht voor bedrijven. Waarbij het belangrijk is om te vermelden dat ook hier de situatie complexer is dan in eerste instantie lijkt.
Delivery rider in Jogyakarta, Indonesia. Foto credit: Martijn Arets
Wat staat er in de minimumstandaarden?
De eerste voorstellen richten zich op de sectoren maaltijdbezorging (Uber-Eats en Doordash), last-mile delivery (Amazon Flex) en taxi (Uber). Hoewel iedere sector een eigen set aan minimum standaarden heeft, gaan de voorstellen over het algemeen om minimumtarief, transparantie en representatie. Bij minimumtarieven wordt onder andere gekeken naar een compensatie van beroepsgerelateerde kosten en verzekering. De vakbond heeft veel ervaring met het berekenen van minimumtarieven voor zelfstandig werkenden.
Transparantie wordt afgedwongen door transparantie te verplichten rondom prijsstelling en algoritmes, wat onder andere moet leiden tot bescherming tegen oneerlijke deactivaties van werkenden. Representatie is een alomvattend pakket, bestaande uit onder andere geschillenprocedures, consultatierechten, rechten voor worker delegates en toegang voor vakbonden tot werkenden. Voor representatie lijkt de vakbond een combinatie gemaakt te hebben van het concept van de Duitse Crowdsourcingcode en Artikel 20 van de Platform Work Directive, waarbij platformen worden verplicht een communcatiekanaal tussen werkenden te faciliteren waarmee ook vertegenwoordigers van werkenden de werkenden moet kunnen bereiken. Dit klinkt misschien klein, maar in een gefragmenteerde platformmarkt is toegang tot werkenden een cruciale machtsfactor.
De discussie over wachttijd blijft ingewikkeld
En discussie rondom de berekening van minimumtarieven gaat voornamelijk over werktijd. De Australische afspraken vergoeden voorlopig alleen ‘engaged time’: de periode vanaf acceptatie van een opdracht tot afronding. Wachttijd wordt niet vergoed in de minimale standaarden, wat ervoor zorgt dat platformen geen incentive hebben om niet te veel werkenden tegelijkertijd toegang te geven tot het platform. Immers: de rekening voor wachttijd blijft ook na het invoeren van de standaarden bij de individuele werkende liggen.
Boutros is hierin realistisch: met de huidige minimale standaarden stijgt het inkomen van platformwerkers, dat voor de invoering van platformen op de helft van het Australische minimumloon lag, met 20 tot 30 procent. Hij beseft dat een ‘eerlijk’ minimumtarief, zoals dat wat wordt berekend met het Living Tariff van de WageIndicator Foundation, nog ver weg is. De standaarden zijn dan ook een eerste stap en zeker geen eindpunt.
Delivery rider in Oxford, UK. Foto credit: Martijn Arets
Tot slot
Hoewel het belangrijk is te beseffen dat de Australische casus vooral binnen de Australische context moet worden gezien en niet 1-op-1 te kopiëren is naar andere landen, zijn er toch genoeg lessen te trekken uit deze casus.
De focus op arbeidsclassificatie is, zeker in Global North landen logisch, maar het is ook verstandig om verder te kijken. Zeker in markten waar en sectorale aanpak noodzakelijk is;
Het verbeteren van voorwaarden van platformwerkers kost tijd, net als het opbouwen van een bestand aan platformwerkers om te vertegenwoordigen;
Een diverse aanpak zoals in Australië laat zien dat je op verschillende borden tegelijk kunt schaken;
Vrijblijvendheid mooi, maar uiteindelijk moeten afspraken sectoraal worden geborgd en juridisch afdwingbaar zijn;
Minimumstandaarden werken het best wanneer zij contractneutraal zijn, daarmee voorkom je dat platformbedrijven selectief gaan shoppen om onder hun verantwoordelijkheid uit te komen.
Wat mij vooral bijbleef uit het gesprek met Alex Veen en Jack Boutros, is dat de discussie over platformwerk uiteindelijk geen technologische en juridische discussie is, maar vooral een discussie over macht en tegenmacht. Wie bepaalt de voorwaarden, wie draagt risico’s, wie heeft toegang tot informatie en wie kan collectief onderhandelen? Maar ook nadenken over institutionele afstemming en complementariteit: hoe kun je de technologische innovatie benutten en tegelijkertijd de externe effecten aanpakken.
In deze casus zijn nog zeker niet alle antwoorden gevonden en de huidige standaarden zijn verre van perfect. Maar de vakbond heeft wel iets gedaan wat in veel andere landen nog nauwelijks lukt: het debat verschuiven van juridische definities naar de fundamentele vraag hoe een sector duurzaam georganiseerd kan worden. En misschien is precies dat de belangrijkste les. Niet iedere arbeidsmarktuitdaging laat zich oplossen met een nieuw contractlabel. Soms moet je durven kijken naar de markt zelf.
Lena Simet (Human Rights Watch) over platformwerk: Van turbokapitalisme naar verantwoorde arbeidsvoorwaarden
In The Gig Work Podcast van de WageIndicator Foundation spreekt Martijn Arets met Lena Simet van Human Rights Watch over de schaduwkanten van platformwerk en manieren om te komen tot effectief beleid. “Technologie om werk te organiseren is razendsnel ontwikkeld, maar de wetgeving om werkenden op platformen te beschermen loopt hopeloos achter.”
Hoe zorgen we dat platformbedrijven in de kluseconomie zich als verantwoorde werk- en opdrachtgevers gedragen, in plaats van hebberige tussenpersonen die steeds meer winst maken en de risico’s en kosten om te ondernemen bij werkenden neerleggen? Vakbonden, arbeidsorganisaties en overheden wereldwijd zoeken een oplossing voor dit probleem.
Zo ook Human Rights Watch, een internationale organisatie die wereldwijd onderzoek doet naar de schending van mensenrechten. Senior-adviseur economische rechtvaardigheid Lena Simet bestudeert de laatste jaren specifiek de impact en economische rechtvaardigheid van platformbedrijven op werkenden. In The Gig Work Podcast van de WageIndicator Foundation sprak ik haar over haar onderzoek. Haar conclusies geven een goed beeld van de ontwikkelingen vanuit een globaal perspectief.
Simet onderzocht de invloed apps voor taxi, maaltijdbezorging en boodschappenbezorging op platformwerkers in onder andere Libanon, Texas en New York. “Technologie om werk te organiseren is razendsnel ontwikkeld, maar de wetgeving om de rechten van werkenden die werken via platformen te beschermen loopt hopeloos achter”, vertelt ze. “Het is een juridisch vacuüm: platformwerkers zijn niet formeel in dienst, dus het werk en de verdiensten zijn hun eigen verantwoordelijkheid. Bijna alle arbeidsrechten waarvoor in het verleden is gevochten, lijken in dit bedrijfsmodel niet te bestaan.”
Oneerlijk, vindt zij. Haar interesse in platformwerk ontstond tijdens de coronacrisis. “Platformwerkers waren de helden: ze gingen de straat op om maaltijden of boodschappen te bezorgen, ze werkten in de gezondheidszorg”, vertelt ze. “Iedereen was blij met ze, maar die waardering zag je niet terug in hun arbeidsvoorwaarden. Veel kregen geen mondkapjes of handgel, als ze zelf ziek werden kregen ze geen compensatie of betaald verlof.”
‘Werken zonder bescherming mag niet de nieuwe norm worden’
Ondertussen groeit de reikwijdte en impact van platformwerk enorm. “Platformwerkers zijn allang niet meer alleen over taxichauffeurs of maaltijdbezorgers”, vertelt ze. “Inmiddels zie je dat ook verpleegkundigen, leraren en therapeuten op afroep via apps worden ingehuurd. In plaats van een vast contract met vaste diensten, worden zij nu ‘on demand’ ingezet met wisselende uren en verdiensten.”
Een steeds groter deel van de wereldwijde beroepsbevolking wordt aangenomen en ontslagen via platformen, zegt ze. “Dit vergroot de ongelijkheid op de arbeidsmarkt enorm. Uit ons onderzoek blijkt dat zij geen arbeidsrechtelijke bescherming hebben. Daarom is nieuw beleid zo belangrijk. We mogen niet toestaan dat onderbetaling en gebrek aan bescherming de nieuwe norm worden op de arbeidsmarkt.”
Werknemer of zelfstandige: fatsoenlijk werk voor iedereen
Wereldwijd worstelen overheden met de juridische status van platformwerkers: zijn het werknemers in dienst of zelfstandig ondernemers? Loondienst lost een hoop op: vaak zijn zekerheden en beschermingen voor werknemers juridisch aan deze contractvorm gekoppeld, maar in de praktijk is dit lastig af te dwingen.
Ook in Nederland is de discussie nog lang niet klaar. Kijk maar naar de laatste uitspraak van het gerechtshof Amsterdam over de vraag of Uber-chauffeurs formeel in dienst zijn of niet. Conclusie: dat verschilt per chauffeur. En in continenten zoals Azië, Afrika of Latijns-Amerika is het al helemaal niet zo vanzelfsprekend om een arbeidsovereenkomst te hebben. Sterker nog: bijna de helft (46%) van de werkenden wereldwijd is zelfstandig ondernemer (ILO 2025).
Daarom is het op dit moment misschien nog wel belangrijker om antwoord te vinden op de vraag: hoe zorgen we ervoor dat de risico’s en kosten van zelfstandigen net zo goed gedekt zijn als die van werknemers? De grootste problemen komen doordat platformen de kosten en risico’s die in een werknemersrelatie voor rekening zijn van de werkgever, doorschuiven naar het individu.
Het onderzoek van Human Rights Watch laat zien dat er actie nodig is. “We zien de gevolgen van gebrek aan regulering wereldwijd”, vertelt Simet. “Het klopt dat beroepsgroepen zoals schoonmakers, taxichauffeurs en maaltijdbezorgers ook voor de komst van platformen meestal niet in loondienst werkten. Maar wat verslechterd is, is hun onderhandelingsmacht.”
Ze noemt motortaxi’s in Kenia. “Vroeger bepaalden chauffeurs hun eigen prijzen in onderhandeling met de klant. Nu bepaalt de app de prijs. De chauffeur heeft daar geen enkele invloed meer op, zeker omdat deze bedrijven vaak monopolies vormen.”
Tegelijkertijd biedt platformisering hoop op verbetering. “Platformen maken werkenden die voorheen onzichtbaar waren, zichtbaar. Als het lukt om deze grote bedrijven te dwingen om werkenden fatsoenlijk te belonen, is dat een enorme kans om miljoenen werkers wereldwijd te voorzien van betere levensstandaarden.”
Libanon: forse groei sinds 2019
Simet is als ik haar spreek net terug uit Libanon voor een studie naar de situatie van platformwerkers. Tot haar verbazing was er nauwelijks onderzoek gedaan naar de platformeconomie, terwijl het business model daar enorm groeit. “Sinds de enorme economische crisis in 2019 is platformwerk voor velen de enige kans op een inkomen”, zegt ze. “De groep werkenden is enorm divers qua leeftijd, opleidingsniveau en beroep.”
Welke gevolgen heeft platformisering? Er vielen haar vier verontrustende zaken:
Daling van het inkomen over tijd: Ze sprak veel mensen die al lang via platformen werken, soms al tien jaar. In die tijd is hun inkomen meestal gedaald. Velen ontvangen nu nog maar een vijfde van wat ze voorheen verdienden. Dat komt omdat er inmiddels veel meer platformwerkers zijn. Hoewel de prijzen voor klanten stijgen, hebben de platformen de vrijheid om de verdiensten voor de werkenden te verlagen.
Gebrek aan sociale zekerheid: Werkers moeten alle kosten zelf dragen, hebben geen ziekteverlof en worden niet geholpen bij arbeidsongevallen.
De enorme kloof tussen werker en bedrijf: Bedrijven zijn niet geïnteresseerd in klachten. Werkers kunnen zich nauwelijks verenigen om druk uit te oefenen.
Volledig gebrek aan beleid. Platformwerk komt helemaal niet voor in de huidige arbeidswetgeving.
Traumatische overval
In de podcast vertelt Simet het aangrijpende verhaal van de 74-jarige taxichauffeur Abraham. Tijdens de crisis verloor hij zijn werk, zijn spaargeld en zijn pensioen. Vanwege zijn leeftijd namen reguliere taxibedrijven hem niet aan, dus ging hij in 2015 aan de slag via een taxiapp.
Op een dag werd hij als chauffeur door klanten met een mes op zijn keel overvallen. Ze stalen zijn telefoon en zijn auto. Hij zocht hulp bij het platformbedrijf, maar dat weigerde hem te helpen. In zijn overeenkomst stond tenslotte dat hij een “onafhankelijke contractant” (zzp’er) was, dus hij was volledig zelf verantwoordelijk. “Hij bleef getraumatiseerd en zonder auto achter”, zegt Simet. “Uiteindelijk kon hij met financiële hulp van zijn familie deze periode overleven en kreeg uiteindelijk van zijn broer een andere auto kado. Hij werkt weer, maar is nog elke dag bang.”
Volgens Simet illustreert dit verhaal dat het platformen met hun bedrijfsmodel expres alle kosten en risico’s naar de werkenden verschuiven. “Verantwoordelijkheid en menselijkheid ontbreken.” Dit terwijl juist platformen, die opereren in gefragmenteerde markten, de schaalvoordelen zouden kunnen inzetten om omstandigheden te verbeteren en risico’s te middelen. Dit niet doen is een bewuste keuze en strategie.
Uitbuiting in Texas
Onderzoek is de basis om beleid te creëren rondom fatsoenlijke arbeidsomstandigheden. Welke minimale bescherming hebben platformwerkers nodig? Wat is een leefbaar loon? Aangezien platformwerkers niet in dienst zijn, geen vaste tijden hebben en hun eigen middelen en zekerheid moeten regelen, is zo’n tarief heel anders opgebouwd dan een werknemersloon. Lees meer over een leefbaar tarief in deze blog.
“Het was heel lastig om data te krijgen, want bedrijven zijn niet verplicht informatie te delen over werkenden die niet in dienst zijn”, vertelt ze. “We hebben dus informatie opgehaald bij de platformwerkers zelf. In eerste instantie zagen we een bruto-uurloon van 16,90 dollar. Maar dat is niet wat zij daadwerkelijk overhouden aan het werk.”
Omdat platformwerkers zelf de kosten voor hun voertuig, telefoon en internet moeten betalen, blijft er slechts 7,53 dollar over. Als je daar vervolgens de ‘non-wage benefits’ zoals pensioen- en verzekeringskosten van aftrekt die een normale werknemer zou krijgen, kom je uit op 5,12 dollar per uur. “Dat is ver onder het minimumloon van 7,25 dollar en nog verder onder een leefbaar tarief”, zegt Simet. Waarbij het goed is om te beseffen dat een minimumloon in Texas iet voldoende is om te kunnen leven. Kijk je naar het “leefbaar loon” (living wage) in Texas, dan komt dit volgens WageIndicator data momenteel uit op 16,49 dollar. En let wel: de gemelde inkomsten per werkenden zijn een gemiddelde. Er zijn platformwerkers die op dagen met hoge onkosten en weinig ritten vrijwel niets overhouden, waarbij het grote probleem is dat werkenden geen invloed hebben op de vraag naar werk en de hoeveelheid werkenden die op een platform actief zijn.
Hartverscheurend turbokapitalisme
“Ik vond het hartverscheurend om te horen dat platformwerkers zichzelf verwijten dat ze zo weinig verdienen”, zegt Simet. “Een oudere vrouw die boodschappen deed voor Instacart zei: ’tja, ik kan nu eenmaal niet snel genoeg lopen’.”
Ze noemt het turbokapitalisme (capitalism on steroids). “Iemands waarde en zijn inkomen worden slechts bepaald door hoe snel er winst uit hun arbeid kan worden geperst”, zegt ze. “Het heeft niets te maken met een eerlijke beloning en creëert perverse prikkels die mensen dwingen om hun gezondheid te riskeren.”
New York: collectieve actie leidt tot een eerlijkere beloning
Simet ziet gelukkig ook vooruitgang. Zo is het app-bezorgers in New York gelukt een minimumtarief af te dwingen. “Het is een prachtig voorbeeld van hoe collectieve actie tot verandering leidt”, vertelt ze. “De platformwerkers voerden eerst hun eigen onderzoek uit om de problemen aan te tonen en presenteerden dit aan de gemeenteraad. Het eigen onderzoek van de gemeente bevestigde hun bevindingen op basis van eigen onderzoek: van extreem lage beloningen tot gebrek aan veiligheid en schendingen van de privacy.”
New York gebruikte dit onderzoek als basis voor beleidshervormingen. De gemeente dwong de bedrijven niet om mensen als werknemer in dienst te nemen, maar bepaalde een minimumtarief voor platformwerkers om hun gebrek aan bescherming te compenseren. Ondanks fel verzet van bedrijven, voerde New York stapsgewijs een minimumloon in voor platformwerkers.
Discussie over wachttijd
Over dat tarief werd flink gediscussieerd. Platformbedrijven kwamen met het argument dat ze wachttijd niet kunnen betalen, omdat werkenden “toch meerdere apps tegelijk open hebben staan” en dan dus van drie verschillende platforms tegelijk betaald krijgen.
“In werkelijkheid wordt dit ‘multi-apping’ enorm overschat”, zegt Simet. “Zo’n 80 tot 90 procent van de platformwerkers gebruikt maar één app tegelijk. Bovendien beschikken deze bedrijven over alle data: ze kunnen tot op de seconde nauwkeurig uitrekenen wie wanneer beschikbaar is. In New York is dit inmiddels opgelost: bedrijven moeten betalen voor de volledige tijd dat werkenden verbonden zijn met de app, dus ook wachttijd.”
Efficiënter en eerlijker
Het resultaat? Omdat platformen nu zelf verantwoordelijk zijn voor de wachttijd, zijn ze efficiënter gaan plannen. Sinds de invoering van het minimumtarief in New York steeg het aantal bezorgingen per uur van 1,6 naar 2,5. Door de verantwoordelijkheid bij het platform te leggen, krijgt de app een directe prikkel om de tijd van de werker nuttiger te besteden.
De omstandigheden van de platformwerkers zijn enorm verbeterd, vertelt Simet. Het stadsbestuur kijkt nu naar vervolgstappen, bijvoorbeeld om platformwerkers te beschermen die om onduidelijke redenen van een platform worden verbannen.
Wereldwijd probleem, mondiale oplossing?
Het is duidelijk dat de uitwassen van de platformeconomie een mondiaal probleem zijn. Hoewel er nu lokale oplossingen bedacht worden, werkt de International Labour Organization (ILO) aan een mondiale oplossing. In juni 2026 wordt tijdens de ‘114e International Labour Conference’ in Genève met overheden, werkgevers en werknemersorganisaties gewerkt aan het afronden van de ‘ILO Platformwork Convention’. Een proces waar Lena namens Human Rights Watch aan meewerkt.
In Geneve worden wereldwijde afspraken gemaakt over platformwerk, met focus op sociale zekerheid, transparante algoritmes en het voorkomen van misclassificatie. Een conferentie waar ik ook zal proberen bij aanwezig te zijn om verslag uit te brengen van deze onderhandelingen. Wat de uitkomst ook zal zijn, het is wat mij betreft al flinke winst dat overheden zien hoe belangrijk dit thema is en het is gelukt om, tegen de verwachting van velen in, dit onderwerp op de globale agenda te krijgen. Eerlijke arbeidsomstandigheden zijn tenslotte een verantwoordelijkheid van ons allemaal.