Radio interview over rechtszaak FNV en Temper

Zijn de vele tienduizenden werkenden die dagklussen vinden via het platform Temper freelancers of uitzendkrachten? Dit is de vraag die sinds 2020, toen de rechtszaak van FNV tegen Temper startte, de gemoederen bezighouden. Na een uitspraak in het voordeel voor Temper in 2024 volgde in 2026 een voor het platform minder positieve uitspraak. Waarbij de rechter oordeelde dat Temper toch een uitzendbureau is.

Op 17 juni 2026 mocht ik bij BNR Nieuwsradio bij Thomas van Zijl wat duiding geven aan deze zaak en ongevraagd advies geven aan de nieuwe CEO van het platformbedrijf. Ik ging in op de verschillende rechtszaken tegen platformen in Nederland, de werking van het platform en de verwachte vervolgstappen.

Ik volg deze ontwikkeling vanaf het begin. Zo deed ik in 2020 met Jeroen Meijerink onderzoek naar dit fenomeen. De conclusie destijds: dagklussen kunnen ook via een uitzendconstructie uitgevoerd worden, maar er zijn wel wat beperkingen beide kanten op. En dat de term ‘zekerheid’, die in veel discussies voorbijkomt, best tegenvalt. In de tussentijd is de uitzendwet aangepast sinds die tijd minder flexibel geworden.

Wat was mijn advies aan de CEO? Ten eerste: in cassatie en naar de Hoge Raad. Ik kan mij niet voorstellen dat Temper dit niet doet. FNV had bij verlies hetzelfde gedaan. De 2 jaar die dit bij Helpling en Deliveroo duurde geeft ook weer tijd. Ten tweede: breek het publieke en politieke debat meer open. Temper is altijd naar buiten erg gesloten geweest. Tijd om dat open te breken. Via platformen als Temper hebben vele tienduizenden werkenden naar tevredenheid klussen uitgevoerd. Maar we weten hier nog te weinig over. Wat zijn de elementen die werken en aanspreken? Ga meer MET elkaar in gesprek, spreek niet alleen OVER elkaar. Wat overigens ook een advies richting de vakbonden is. Maar ook voor beleidsmakers: zij zijn immers de grote afwezige in dit debat. En als laatst: anticipeer. Dat er ook een Temper uitzend app is, laat zien dat daar al aan wordt gewerkt.

Daarnaast hoop ik (tegen beter weten in?) dat de discussie meer zal gaan over werk, zekerheden en verplichtingen dan over juridische vakjes. Een grijs gebied zal altijd blijven. Kijk hoe je meer contract neutrale/overstijgende verplichtingen en zekerheden kunt afspreken. Binnen de platformeconomie zie je dat nu gebeuren binnen de Platformwork Directive (Europees) en de ILO Platformwork Convention (globaal). Maak het verschil tussen de twee kleiner, dan is de incentive om te shoppen ook kleiner en kunnen we het weer over de inhoud hebben. Daarvoor moeten partijen over hun eigenbelang heen stappen. En dat is dan misschien wel de grootste uitdaging voor de arbeidsmarkt.

Luister het item hier terug:

Nieuwe internationale afspraken moeten platformwerk toekomstbestendig(er) maken

Van 1 tot en met 12 juni komen vertegenwoordigers van werkenden, platformbedrijven en overheden van over heel de wereld bijeen in Genève om bij de International Labour Organisation (ILO) om in gesprek te gaan over een internationale ‘ILO Platformwork Convention’. Een unieke gebeurtenis waar de belangen van alle werkenden in de arbeidsmarkt worden besproken. In deze blog blik ik vanuit een internationaal perspectief vooruit op wat er besproken gaat worden en wat er op het spel staat.

Platformbedrijven zijn voor tussen de 154 miljoen (voltijd) en 435 miljoen (voltijd en deeltijd) mensen wereldwijd op dagelijkse basis de toegangspoort naar werk. In 2022 werd het aantal platformwerkers in Europa geschat op 28 miljoen, met de voorspelling dat dit aantal in 2025 zou zijn gestegen naar 43 miljoen. Hoewel exacte cijfers ontbreken en ook sterk afhankelijk is van een gebruikte definitie, is men het erover eens dat het aantal mensen dat gebruik maakt van de diensten van online platformbedrijven voor toegang tot werk groeit.

Bekend geworden in sectoren als maaltijdbezorging en taxi is er intussen geen sector waar online werkplatformen niet actief zijn. De platformeconomie wordt daarnaast ook wel de kraam- en experimenteerkamer van technologie op de arbeidsmarkt genoemd, wat aangeeft de impact van wat er gebeurt in de platformeconomie en de manier waarop deze wordt vormgegeven gevolgen heeft voor de gehele arbeidsmarkt.

Hoewel platformwerk vaak vanuit een lokale, nationale of continentale context wordt bekeken, is het op veel vlakken ook een globaal fenomeen. Platformbedrijven opereren vaak internationaal en in het geval van online werk bevinden vraag naar en aanbod van werk zich vaak in andere landen, en in veel gevallen op andere continenten. Daarnaast houden platformbedrijven elkaar goed in de gaten, waardoor een werkwijze of businessmodel in één land ook snel in andere landen voet aan de grond kan krijgen. Het maken van afspraken over platformwerk op globaal niveau afspraken is deze en volgende week onderwerp van de 114e International Labour Conference in Genève. Hier komen vertegenwoordigers van werkenden, werkgevers (de platformbedrijven) en overheden samen om afspraken te maken voor de ‘Platformwork Convention’.

Een historisch moment

Het gegeven dat platformwerk in Geneve zo prominent op de agenda staat is historisch te noemen om verschillende redenen. Platformen faciliteren sectoren die ook voor de opkomst van de platformeconomie bekend stonden om de precaire omstandigheden van werkenden. Denk aan maaltijdbezorging, (thuis)schoonmaak, oppas en niet locatie gebonden werk dat werd uitbesteed aan landen als India, de Filipijnen, Kenia en Mexico. Sectoren, veelal opererend in de informele markt, waarvan iedereen wist dat de omstandigheden voor werkenden vaak slecht waren. En die onder andere door het onzichtbare (gefragmenteerde) karakter van de markt en de lage organisatiegraad ervoor zorgden dat overheden en vertegenwoordigers het zich konden permitteren deze groep werkenden in veel gevallen links te laten liggen. Onzichtbaarheid zorgde voor een gebrek aan politieke noodzaak om actie te ondernemen. Platformbedrijven controleren deze markten als spil tussen een gefragmenteerde groep aanbieders (werkenden) en afnemers (klanten), wat zorgt voor een groei van de markt, maar ook een groeiende eenzijdige afhankelijkheid en beïnvloeding door technologie. De zichtbaarheid van deze bedrijven en de groeiende afhankelijkheid van de werkenden zorgde ervoor dat sectoren die jarenlang werden genegeerd opeens wél in de spotlight staan. Dat de toekomst van deze sectoren op internationaal niveau op de agenda staan is, als je het mij vraagt, historisch te noemen.

Historisch ook omdat het proces naar de conventie, leest hier de ‘draft tekst’ die het startpunt vormt van de onderhandeling, ervoor heeft gezorgd dat vertegenwoordigers van werkenden wereldwijd elkaar de afgelopen jaren hebben gevonden om gezamenlijk een agenda te maken. Zo publiceerde een wereldwijde coalitie van meer dan 30 werknemersorganisaties, vakbonden en maatschappelijke organisaties een gezamenlijke verklaring in aanloop naar de ILC en ontstond vorig jaar het ‘Global Platform Workers Solidarity Project (GPWSP)’ een “netwerk van grassroots-organisaties voor platformwerkers uit meer dan 27 landen, dat wordt gesteund door investeerders, maatschappelijke organisaties en onderzoekers”. Ik heb nog niet eerder gezien dat vertegenwoordigers van werkenden op deze manier sector, land en organisatie overstijgend samenwerken.

En als laatst is de discussie in Genève misschien ook wel historisch complex. Complex omdat vertegenwoordigers van werkenden en bedrijven het ondanks de grote tegenstelling in belangen het op sommige punten met elkaar eens moeten worden. En complex omdat de inrichting van platformwerk vaak afhankelijk is van de sector en de institutionele omgeving waarin het opereert. En wat er uit Genève komt ook nationaal en sectoraal moet worden door vertaald. Dit lijkt misschien een onmogelijke opgave, maar naar mijn mening is dit de enige weg: internationale kaders zetten en vervolgens nationaal door vertalen.

Hoe platformbedrijven de arbeidsmarkt veranderden

Platformwerk is onder te verdelen in zowel locatie gebonden als niet-locatie gebonden werk, waarbij unieke of generieke skills worden gevraagd en technologie een lage of hoge mate van invloed heeft op toegang, invulling, sturing, prijsstelling en evaluatie van werk. Wat de sector kenmerkt is dat vraag en aanbod zich bevinden in gefragmenteerde markten met veel informatie asymmetrie, werk is opgedeeld in kleine(re) opdrachten (‘gigs’), de verantwoordelijkheid die normaal bij een werkgever ligt naar de individuele werkende is verschoven en het platformbedrijf als ‘private regulator’ de voorwaarden en regels van het ‘spel’ bepaalt en handhaaft via technologie. De opkomst van platformen in sommige markten en regio’s heeft er ook voor gezorgd dat markten nog gefragmenteerder werden: door diensten als taxiritjes te subsidiëren werd markt ‘gekocht’ en concurrentie uitgeschakeld, waardoor individuele werkenden alleen via het platform nog werk konden vinden. Tegelijkertijd zorgt het freelancemodel dat platformen het zich kunnen permitteren een ‘oversupply’ van werkenden aan te houden, de kosten voor geen werk zijn immers voor de individuele werkende. Wat ook bijdraagt aan een groeiende concurrentie tussen individuele werkenden en uitdagingen in het organiseren van werkenden. 

Delivery rider in Kathmandu, Nepal (Martijn Arets)

In veel gevallen bestond het werk dat via platformen wordt gedaan al voor de opkomst van platformen: ook voor Uber, Bolt en InDrive waren er taxichauffeurs en voor DoorDash, Deliveroo en Gojek werden maaltijden door bezorgers op (motor)scooters en brommers bezorgd. Ook maakten schoonmakers huizen schoon en pasten oppassers op kinderen terwijl de ouders een avondje uit gingen. Platformbedrijven verlaagden via technologie de zoekkosten tussen vraag en aanbod, maken het voor beide zijden makkelijker om in de markt actief te zijn en hebben de mogelijkheid om een markt efficiënter te organiseren. Door de centrale positie van het platform liggen er ook kansen om wijzigingen voor een grote groep werkenden (en klanten) centraal door te voeren en zo de omstandigheden van een markt te beïnvloeden.

De grootste uitdagingen (en oplossingen)

De centrale positie die het platformbedrijf heeft in een gefragmenteerde markt is dus uniek. Waarbij de uitdaging ligt dat de belangen van alle deelnemers (vraag, aanbod en platformbedrijf) in een transactie niet altijd op een lijn liggen, terwijl er slechts één partij is die de regels en voorwaarden van het spel bepaald: het platformbedrijf. En hoe je met die verantwoordelijkheid om moet gaan, hoe je iedereen een gelijke(re) informatie- en beslissingspositie geeft en hoe je die positie kunt gebruiken om voor goede condities voor de werkende te zorgen is de centrale vraag in de discussie. Waarbij de focus ligt op inzicht over en invloed op automatische besluitvormingsprocessen, toegang tot data, een eerlijke (of: fatsoenlijke) betaling waarbij de risico’s niet alleen bij de werkende ligt en representatie.

Het gebrek aan inzicht over automatische besluitvormingsprocessen is in veel platformwerk sectoren een groot issue. Werkenden kunnen geen goed geïnformeerde beslissing nemen en ervaren druk van het niet weten van de ‘spel’regels voor toegang tot werk waar zij afhankelijk van zijn. Wat de impact op werkenden is wordt pakkend in de blog ‘From Recognition to Responsibility: Worker-Led Perspectives on Labor Standards for the Platform Economy’ beschreven: “Data workers shared how task allocation is unpredictable, with no visibility into how work is distributed or why opportunities suddenly disappear. Similarly, workers do not know how their performance is assessed, what metrics are used, or how those assessments affect future work opportunities. Such decisions are made with little clarity on how automated processes and human oversight interact. Compounding these opacities, workers have no right to access the data generated through their labor, nor any ability to control how that data is used.”

Gebrek aan toegang tot data draagt bij aan deze intransparantie en asymmetrie in macht tussen werkende en platformbedrijf. In het stuk ‘Kennis is macht, ook in de platformeconomie’ dat ik eerder schreef beschrijft voormalig Uber-chauffeur James Farrar hoe hij hier hinder van ondervond in een rechtszaak tegen het platform. Vervolgens bedacht hij een slimme manier om, als moderne vakbond, toch data te krijgen ter ondersteuning van zijn zaak. Mijn eigen project KlusCV laat zien dat het helemaal niet zo ingewikkeld is om data op verzoek van de werkende te delen, waarbij meer dan 100.000 platformwerkers toegang hebben gekregen tot hun ervaringsdata en ruim 32.000 keer data is opgevraagd door werkenden. Mijn les daaruit is: als je iets wél wilt maak je het eenvoudig, als je iets niet wilt, maak je het complex. Daarom pleit ik er ook om kritischer te zijn waarom systemen en processen complex worden gemaakt. Wie profiteert hiervan? Is dit om de dienst te verbeteren, of om de macht- en informatiepositie te veranderen. In het geval van het steeds complexer worden van manieren om prijzen voor arbeid te berekenen bij on-demand werkplatformen denk ik dat hier echt het laatste het geval is. Dwingen tot vereenvoudigen is hierbij ook een oplossing.

Vergoeding en classificatie van de werkende veelvoorkomende onderwerpen in discussies. Omdat platformwerkers door de meeste platformbedrijven als zelfstandig ondernemer worden geclassificeerd, liggen de kosten en risico’s die normaal bij een werkgever liggen nu bij de individuele werkende. Het is in platform sectoren als bezorging en datawerk algemeen bekend dat werkenden vaak (ver) onder het minimumloon verdienen. Een oplossing hiervoor, en ook voor andere punten, is het in dienst nemen van de werkende. En hoewel dit ook de nodige impact heeft op een markt, is het onderwerp schijnzelfstandigheid een belangrijk onderwerp op de agenda in Genève. Waarbij ik het belangrijk vind te vermelden dat dit in veel landen in de wereld niet altijd bijdraagt aan een betere positie van de werkende en dat in enkele zaken waar het platform de verschuiving van freelance naar werknemer maakte dit vaak werd georganiseerd via subcontractors die ook een stuk van de taart willen hebben. Los van de contractvorm is het belangrijk dat de werkende fatsoenlijk wordt betaald en onbetaalde arbeid zoveel als mogelijk wordt voorkomen. Dit is dan ook de gedachte van het Leefbaar Tarief waar ik vanuit de WageIndicator Foundation aan werk, waarbij de kosten en risico’s die op de schouders van de individuele werkende worden geschoven worden meegenomen in het tarief.

Tot slot representatie. Als er iets is dat de ILC in Genève laat zien is dat organisaties die werkenden vertegenwoordigen elkaar steeds beter weten te vinden. Op individueel niveau worden successen geboekt, zoals het afsluiten van cao’s met platformbedrijven en het neerzetten van een afdwingbaar minimum tarief of minimale standaarden. Nu is het tijd om ook collectief successen te boeken. Hierbij valt het mij op dat er ontzettend veel informatie asymmetrie is in het landschap van vertegenwoordiging van werkenden. Niet alleen is het niet altijd duidelijk wie welke werkenden vertegenwoordigen, maar ook afspraken die worden gemaakt zijn ook niet of slecht vindbaar. Zo zijn cao’s in de meeste landen in de wereld niet openbaar. En hoewel achterliggende motivaties prima te begrijpen zijn, is dit echt een gemiste kans. Platformbedrijven profiteren ook van deze informatie asymmetrie die op deze manier wordt gecreëerd. Daarom is het voor organisaties die werkenden vertegenwoordigen essentieel om het grotere plaatje te zien en ook in te zetten op schaalvoordelen en in standaard alles zo veel als mogelijk openbaar te maken. WageIndicator heeft vele honderden cao’s wereldwijd geanalyseerd in een database, maar eigenlijk is dat van de zotte. Standaardisatie en transparantie aan de kant van vertegenwoordigers is naar mijn mening een zwaar onderbelicht onderwerp in deze discussie.

Tot slot

De discussie in Genève gaat niet ‘alleen’ de platformeconomie, maar over de spelregels rondom de impact van technologie op arbeid. Dan kun je zeggen: ‘daar maak ik mij niet zo’n zorgen over’, maar weet dat, zeker met de opkomst van AI, technologie (en dan vooral de keuzes die we hieromheen maken) een groeiende invloed heeft op de positie en voorwaarden van alle werkenden. Ook voor jou. En dit zomaar kan betekenen dat jouw baan en positie zomaar opeens wel precair wordt. Een extra motivatie om dit debat over de keuzes die we moeten maken rondom de toenemende rol van technologie op de wereldwijde arbeidsmarkt serieus te nemen. 

Wat kunnen we verwachten in en na de ILC? Ten eerste: het is een overwinning voor iedereen dat dit onderwerp op de agenda staat. Het is belangrijk om te beseffen dat deze bijeenkomst geen eindpunt is, maar een geweldige kans voor het zetten van een agenda en het starten van (hernieuwde) samenwerkingen. Het verbeteren van voorwaarden voor werkenden is een continu en gradueel proces. En wat er uitkomt? De uitkomst van de onderhandeling moet door zowel vertegenwoordigers van werkenden, werkgevers en overheden worden gedragen. Dat zijn veel tegenstrijdige belangen die elkaar moeten ontmoeten. Dat kan ervoor zorgen dat er een heel zwakke conventie op tafel komt. Of helemaal géén conventie. De tijd zal het ons ler

Wat een vakbond uit Australië ons leert over het reguleren van platformwerk

Door de jaren heen heb ik talloze discussies gevoerd over, en onderzoek gedaan naar, platformwerk. Vaak draait het gesprek om dezelfde vraag: zijn platformwerkers werknemer of zelfstandige? Het is een begrijpelijke vraag. Juridische classificatie bepaalt immers rechten, plichten en bescherming.

Maar hoe langer ik deze markt volg, hoe duidelijker het wordt dat die focus soms ook een valkuil is. Het arbeidscontract is voor arbeidsmarkten in Europa en Noord-Amerika dan misschien wel de standaard: in de ’Majority world’, waar 80 procent van de wereldbevolking woont, is dit niet het geval. En terwijl juristen procederen over definities, verandert de markt ondertussen razendsnel. Platformen passen procedures aan en introduceren nieuwe constructies voordat regelgeving überhaupt effect heeft. Daarnaast zie ik in de praktijk dat een verschuiving van freelancer naar werknemer de werkende minder opbrengt dan gehoopt. Platformen ontlopen hun verantwoordelijkheid door te werken met subcontractors of negeren simpelweg de uitspraak van een rechter.

Hoe kun je bindende afspraken maken met platformen over minimum standaarden voor platformwerkers? Deze vraag stond centraal tijdens een recent WageIndicator webinar, waar onderzoeker Alex Veen van de University of Sydney en Jack Boutros van de Transport Workers’ Union (TWU) in Australië hun ervaringen deelden. Hun verhaal biedt een interessant alternatief perspectief. Niet omdat Australië hét antwoord heeft gevonden – zover is niemand – maar omdat daar, mede door de aard van de organisatie van de arbeidsmarkt, een fundamenteel andere keuze is gemaakt.

Jarenlang bleven ze steken in de vraag of platformwerkers werknemers of zelfstandigen zijn, en het was vooral aan het ‘industrial tribunal’ – de Fair Work Commission – en de rechtbanken om te bepalen of die classificaties juist waren. Uiteindelijk is in Australië gekozen voor een pragmatischer uitgangspunt: welke minimumstandaarden zijn nodig om een sector duurzaam en veilig te laten functioneren? Dat klinkt misschien als een subtiel verschil. Maar het heeft grote gevolgen.

Een typisch Australische oplossing

Om de Australische aanpak goed te begrijpen, moet je eerst iets weten over de Australische arbeidsmarkttraditie. Waar veel Europese landen sterk leunen op cao’s of wetgeving vanuit de politiek, kent Australië al meer dan een eeuw een systeem waarin arbeidsrechtelijke tribunalen een centrale rol spelen.

De Fair Work Commission – het arbeidsmarkttribunaal – is diep verankerd in de Australische systeem. Het idee dat de staat actief minimumstandaarden vaststelt voor sectoren is daar veel normaler dan in veel andere landen.

Volgens Alex Veen is dat essentieel om de huidige ontwikkeliing te begrijpen. Australië heeft niet geprobeerd om een Silicon Valley-model in een klassiek arbeidsrechtelijk hokje te persen. In plaats daarvan heeft het land voortgebouwd op een bestaande traditie van sectorspecifieke regulering. Daarbij ontstond een nieuwe tussencategorie: ‘employee-like workers’. Geen volledige werknemerstatus, maar ook niet het klassieke zelfstandigenmodel zonder bescherming.

Belangrijk detail: deze categorie geldt niet voor alle zelfstandigen. Ze is specifiek ontworpen voor groepen werkenden die formeel zelfstandig zijn, maar in de praktijk weinig onderhandelingsmacht hebben. Een belangrijk detail, aangezien pogingen op andere plekken in de wereld, zoals de AB5 wet in Californië, mede faalden door de generieke aanpak. Door AB5 zouden veel freelancers, zoals journalisten die iedere maand een column voor een krant schreven, in dienst worden genomen. En de platformen hadden intussen hun model zo aangepast dat zij niet meer onder deze wet zouden vallen.

De aanpak in Australië is hiermee veel gerichte en zorgt ervoor dat de discussie verschuift van juridische classificatie naar Industrial Relations.

Delivery rider in Amsterdam, the Netherlands. Foto credit: Martijn Arets

Waarom juist de transportsector in beweging kwam

De reden waarom veel rechtszaken over de juridische classificatie van de werkenden gaan, is omdat het arbeidscontract als de ‘standaard’ vorm van werken wordt gezien. De vertegenwoordiging van werk wordt hier traditioneel ook omheen georganiseerd, wat ervoor zorgt dat vakbonden doorgaans (naar verhouding) weinig oog hebben voor werkenden die geen werknemer zijn. Alleen in sectoren waar ‘self-employment’ veel voorkomt zie ik meer focus op deze groep werkenden. Dit kwam bijvoorbeeld ter sprake in een eerder webinar met de Nederlandse Vereniging voor Journalisten, die een bindend minimum tarief wisten af te spreken voor zelfstandig werkenden journalisten. Bij de Australische transportvakbond TWU speelt die marktdynamiek ook een sleutelrol voor het verkrijgen van minimum standaarden voor platformwerkers in de maaltijdbezorging en last-mile logistiek.

Jack Boutros vertelde tijdens het webinar dat de vakbond ruim 140 jaar geleden werd opgericht door werkenden die opvallend veel lijken op hedendaagse platformwerkers. Koetsiers, bezorgers en transporteurs die per klus werden betaald, geen vast loon hadden en door opdrachtgevers als ‘zelfstandig ondernemer’ werden behandeld. Het argument dat zij ‘eigen baas’ waren, werd toen al gebruikt om sociale bescherming te vermijden.

De geschiedenis lijkt zich met de platformecomomie te herhalen. Volgens Boutros zit precies daar ook de kracht van de Australische aanpak. De TWU heeft altijd ervaring gehad met het organiseren van niet-standaard werkenden: owner-drivers, koeriers en andere contractwerkers in transport. Daardoor keek de vakbond fundamenteel anders naar platformwerk dan veel traditionele vakbonden. Niet de contractvorm stond centraal, maar de vraag: hebben werkenden voldoende macht om fatsoenlijke voorwaarden af te dwingen?

De race naar de bodem was al zichtbaar

Toen Uber in 2012 Australië binnenkwam en later maaltijdbezorging explosief groeide, zag de TWU direct bekende patronen ontstaan. Gefragmenteerd werk, sterke prijsdruk, individuele werkenden zonder onderhandelingsmacht en vooral: veiligheid die onder druk komt te staan.

De cijfers die de vakbond in 2018 verzamelde zijn confronterend. Uit onderzoek van TWU bleek dat bezorgers na aftrek van kosten gemiddeld minder dan de helft van het minimumloon verdienden. Zeven op de tien bezorgers maakten zich dagelijks zorgen om ernstig letsel of overlijden tijdens het werk en één op de drie gaf aan al serieus gewond te zijn geraakt.

Wat opvalt is dat de Australische discussie sterk vanuit sectorlogica werd gevoerd. Dat is niet altijd zo geweest maar is in de loop der tijd steeds belangrijker geworden. Niet alleen vanuit arbeidsrechten. De transportsector is in Australië al jarenlang een van de gevaarlijkste sectoren van het land. Volgens Boutros is een transportwerker er tien keer vaker slachtoffer van een dodelijk arbeidsongeval dan gemiddeld.

Platformisering werd daardoor niet alleen gezien als een probleem voor individuele werkenden, maar ook als een risico voor de duurzaamheid van de hele sector. Een perspectief dat vaak ontbreekt in discussies.

De technologie veranderde de schaal en intensiteit van controle

Veel elementen van platformwerk in de logistieke sector zijn niet nieuw. Wat volgens Boutros wél nieuw is, is de combinatie met algoritmisch en datagedreven management. Platformen in de on demand logistiek en transport voegden via technologie een extra laag van controle toe die bestaat uit ingewikkelde prijsmechanismes, voortdurende monitoring, geautomatiseerde prestatiesturing, ratingsystemen, informatie asymmetrie tussen platform en gebruikers en een permanente dreiging ban deactivatie.

Werkenden kregen bijvoorbeeld vaak onvoldoende informatie over ritten, wachttijden of opbrengsten voordat zij een klus accepteerden. Dit lijkt misschien een operationeel detail, maar het raakt de kern van machtsverhoudingen, want wie informatie controleert, controleert gedrag. Juist daarom bevatten de nieuwe Australische voorstellen ook regels over transparantie: werkenden moeten vooraf beter inzicht krijgen in betalingen, routes en voorwaarden. Dat laat zien dat platformregulering allang niet meer alleen gaat over loon of contractstatus. Het gaat steeds vaker over macht en toegang tot informatie.

Delivery rider in Kathmandu, Nepal. Foto credit: Martijn Arets

Acht jaar campagne voeren

Wat mij vooral opviel in het verhaal van de TWU, is de lange adem en de het schaken op verschillende borden. De huidige hervormingen kwamen er niet via één rechtszaak of politieke doorbraak. Het was het resultaat van acht jaar intensieve campagnevoering. De vakbond combineerde verschillende strategieën tegelijk, zoals onderzoek onder werkenden, publieke campagnes, rechtszaken, directe acties, lobby richting politiek, samenwerking met onderzoekers en druk op platformbedrijven zelf. Boutros noemt dat ‘comprehensive campaigning’. Een belangrijk inzicht daarbij: rechtszaken waren voor de vakbond nooit het einddoel, maar een middel om zichtbaarheid te creëren en het sentiment te beïnvloeden.

Natuurlijk werden procedures gevoerd om werknemersstatus af te dwingen. Maar vooral omdat die zaken publieke druk creëerden en zichtbaar maakten hoe platformen daadwerkelijk opereerden.

De les van Menulog

Waar Uber Eats en DoorDash vasthielden aan het contractor-model, experimenteerde Menulog, onderdeel van Just Eat Takeaway, juist met het werknemersmodel. Op papier leek dat goed nieuws, maar de TWU verzette zich uiteindelijk tegen die aanpak.

Niet omdat de vakbond tegen werknemerschap is, maar omdat een oplossing voor één platform niets oplost voor een sector. Daarnaast was er een risico dat de minder strenge arbeidsvoorwaarden die nodig waren om het Menulog model te laten werken een negatief effect zou hebben op de condities voor werkenden buiten de platformeconomie. Door standaarden niet vast te leggen in het arbeidsrecht, maar vanuit Industrial Relations, zijn de standaarden van toepassing op alle werkenden waar deze standaard op van toepassing heeft, wat voorkomt dat platformbedrijven deze kunnen ontduiken door de arbeidsrelatie op een andere manier vorm te geven.

Delivery riders in Amsterdam, the Netherlands. Foto credit: Martijn Arets

Menulog trok zich uiteindelijk terug uit Australië: het kon niet concurreren met het freelancemodel. Grootste les hieruit is dat individuele afspraken met een platformbedrijf goed zijn, maar dat er uiteindelijk sectorale regulering moet komen. Als één speler hogere standaarden invoert terwijl concurrenten dat niet doen, ontstaat een concurrentienadeel. Of zoals Jack zegt: “niet individuele bedrijven moeten ‘het goede voorbeeld’ geven; de ondergrens van de markt moet omhoog.”

Hoe het nieuwe systeem werkt

Zoals Alex Veen, die platformwerk in meerdere landen volgt, benadrukt in dit webinar dat het belangrijk is om bij deze casus te weten dat dit binnen een specifieke context plaatsvindt. In het Australische systeem onderhandelen vakbonden met bedrijven voor minimumstandaarden, welke worden getoetst door de Fair Work Commission. Deze standaarden worden vervolgens sectorbreed opgelegd. Een proces dat verloopt via consultatie tussen vakbonden, platformen en andere stakeholders.

Interessant is dat het systeem expliciet kijkt naar meerdere belangen tegelijk: veiligheid van werkenden, eerlijke beloning, duurzaamheid van bedrijven en de stabiliteit van de sector. Dit laatste element zie je zelden terug in Europese discussies. Daar wordt platformwerk vaak geframed als een tegenstelling tussen innovatie en bescherming. De Australische benadering vertrekt vanuit een andere gedachte: een markt zonder minimumstandaarden is uiteindelijk óók slecht voor bedrijven. Waarbij het belangrijk is om te vermelden dat ook hier de situatie complexer is dan in eerste instantie lijkt.

Delivery rider in Jogyakarta, Indonesia. Foto credit: Martijn Arets

Wat staat er in de minimumstandaarden?

De eerste voorstellen richten zich op de sectoren maaltijdbezorging (Uber-Eats en Doordash), last-mile delivery (Amazon Flex) en taxi (Uber). Hoewel iedere sector een eigen set aan minimum standaarden heeft, gaan de voorstellen over het algemeen om minimumtarief, transparantie en representatie. Bij minimumtarieven wordt onder andere gekeken naar een compensatie van beroepsgerelateerde kosten en verzekering. De vakbond heeft veel ervaring met het berekenen van minimumtarieven voor zelfstandig werkenden.

Transparantie wordt afgedwongen door transparantie te verplichten rondom prijsstelling en algoritmes, wat onder andere moet leiden tot bescherming tegen oneerlijke deactivaties van werkenden. Representatie is een alomvattend pakket, bestaande uit onder andere geschillenprocedures, consultatierechten, rechten voor worker delegates en toegang voor vakbonden tot werkenden. Voor representatie lijkt de vakbond een combinatie gemaakt te hebben van het concept van de Duitse Crowdsourcingcode en Artikel 20 van de Platform Work Directive, waarbij platformen worden verplicht een communcatiekanaal tussen werkenden te faciliteren waarmee ook vertegenwoordigers van werkenden de werkenden moet kunnen bereiken. Dit klinkt misschien klein, maar in een gefragmenteerde platformmarkt is toegang tot werkenden een cruciale machtsfactor.

De discussie over wachttijd blijft ingewikkeld

En discussie rondom de berekening van minimumtarieven gaat voornamelijk over werktijd. De Australische afspraken vergoeden voorlopig alleen ‘engaged time’: de periode vanaf acceptatie van een opdracht tot afronding. Wachttijd wordt niet vergoed in de minimale standaarden, wat ervoor zorgt dat platformen geen incentive hebben om niet te veel werkenden tegelijkertijd toegang te geven tot het platform. Immers: de rekening voor wachttijd blijft ook na het invoeren van de standaarden bij de individuele werkende liggen.

Boutros is hierin realistisch: met de huidige minimale standaarden stijgt het inkomen van platformwerkers, dat voor de invoering van platformen op de helft van het Australische minimumloon lag, met 20 tot 30 procent. Hij beseft dat een ‘eerlijk’ minimumtarief, zoals dat wat wordt berekend met het Living Tariff van de WageIndicator Foundation, nog ver weg is. De standaarden zijn dan ook een eerste stap en zeker geen eindpunt.

Delivery rider in Oxford, UK. Foto credit: Martijn Arets

Tot slot

Hoewel het belangrijk is te beseffen dat de Australische casus vooral binnen de Australische context moet worden gezien en niet 1-op-1 te kopiëren is naar andere landen, zijn er toch genoeg lessen te trekken uit deze casus.

  1. De focus op arbeidsclassificatie is, zeker in Global North landen logisch, maar het is ook verstandig om verder te kijken. Zeker in markten waar en sectorale aanpak noodzakelijk is;
  2. Het verbeteren van voorwaarden van platformwerkers kost tijd, net als het opbouwen van een bestand aan platformwerkers om te vertegenwoordigen;
  3. Een diverse aanpak zoals in Australië laat zien dat je op verschillende borden tegelijk kunt schaken;
  4. Vrijblijvendheid mooi, maar uiteindelijk moeten afspraken sectoraal worden geborgd en juridisch afdwingbaar zijn;
  5. Minimumstandaarden werken het best wanneer zij contractneutraal zijn, daarmee voorkom je dat platformbedrijven selectief gaan shoppen om onder hun verantwoordelijkheid uit te komen.

Wat mij vooral bijbleef uit het gesprek met Alex Veen en Jack Boutros, is dat de discussie over platformwerk uiteindelijk geen technologische en juridische discussie is, maar vooral een discussie over macht en tegenmacht. Wie bepaalt de voorwaarden, wie draagt risico’s, wie heeft toegang tot informatie en wie kan collectief onderhandelen? Maar ook nadenken over institutionele afstemming en complementariteit: hoe kun je de technologische innovatie benutten en tegelijkertijd de externe effecten aanpakken.

In deze casus zijn nog zeker niet alle antwoorden gevonden en de huidige standaarden zijn verre van perfect. Maar de vakbond heeft wel iets gedaan wat in veel andere landen nog nauwelijks lukt: het debat verschuiven van juridische definities naar de fundamentele vraag hoe een sector duurzaam georganiseerd kan worden. En misschien is precies dat de belangrijkste les. Niet iedere arbeidsmarktuitdaging laat zich oplossen met een nieuw contractlabel. Soms moet je durven kijken naar de markt zelf.

Lena Simet (Human Rights Watch) over platformwerk: Van turbokapitalisme naar verantwoorde arbeidsvoorwaarden

Lena Simet (Human Rights Watch) over platformwerk: Van turbokapitalisme naar verantwoorde arbeidsvoorwaarden

In The Gig Work Podcast van de WageIndicator Foundation spreekt Martijn Arets met Lena Simet van Human Rights Watch over de schaduwkanten van platformwerk en manieren om te komen tot effectief beleid. “Technologie om werk te organiseren is razendsnel ontwikkeld, maar de wetgeving om werkenden op platformen te beschermen loopt hopeloos achter.”

Hoe zorgen we dat platformbedrijven in de kluseconomie zich als verantwoorde werk- en opdrachtgevers gedragen, in plaats van hebberige tussenpersonen die steeds meer winst maken en de risico’s en kosten om te ondernemen bij werkenden neerleggen? Vakbonden, arbeidsorganisaties en overheden wereldwijd zoeken een oplossing voor dit probleem.

Zo ook Human Rights Watch, een internationale organisatie die wereldwijd onderzoek doet naar de schending van mensenrechten. Senior-adviseur economische rechtvaardigheid Lena Simet bestudeert de laatste jaren specifiek de impact en economische rechtvaardigheid van platformbedrijven op werkenden. In The Gig Work Podcast van de WageIndicator Foundation sprak ik haar over haar onderzoek. Haar conclusies geven een goed beeld van de ontwikkelingen vanuit een globaal perspectief.

Luister hier naar deze aflevering van The Gig Work Podcast

Juridisch vacuüm

Simet onderzocht de invloed apps voor taxi, maaltijdbezorging en boodschappenbezorging op platformwerkers in onder andere Libanon, Texas en New York. “Technologie om werk te organiseren is razendsnel ontwikkeld, maar de wetgeving om de rechten van werkenden die werken via platformen te beschermen loopt hopeloos achter”, vertelt ze. “Het is een juridisch vacuüm: platformwerkers zijn niet formeel in dienst, dus het werk en de verdiensten zijn hun eigen verantwoordelijkheid. Bijna alle arbeidsrechten waarvoor in het verleden is gevochten, lijken in dit bedrijfsmodel niet te bestaan.”

Oneerlijk, vindt zij. Haar interesse in platformwerk ontstond tijdens de coronacrisis. “Platformwerkers waren de helden: ze gingen de straat op om maaltijden of boodschappen te bezorgen, ze werkten in de gezondheidszorg”, vertelt ze. “Iedereen was blij met ze, maar die waardering zag je niet terug in hun arbeidsvoorwaarden. Veel kregen geen mondkapjes of handgel, als ze zelf ziek werden kregen ze geen compensatie of betaald verlof.”

‘Werken zonder bescherming mag niet de nieuwe norm worden’

Ondertussen groeit de reikwijdte en impact van platformwerk enorm. “Platformwerkers zijn allang niet meer alleen over taxichauffeurs of maaltijdbezorgers”, vertelt ze. “Inmiddels zie je dat ook verpleegkundigen, leraren en therapeuten op afroep via apps worden ingehuurd. In plaats van een vast contract met vaste diensten, worden zij nu ‘on demand’ ingezet met wisselende uren en verdiensten.”

Een steeds groter deel van de wereldwijde beroepsbevolking wordt aangenomen en ontslagen via platformen, zegt ze. “Dit vergroot de ongelijkheid op de arbeidsmarkt enorm. Uit ons onderzoek blijkt dat zij geen arbeidsrechtelijke bescherming hebben. Daarom is nieuw beleid zo belangrijk. We mogen niet toestaan dat onderbetaling en gebrek aan bescherming de nieuwe norm worden op de arbeidsmarkt.”

Werknemer of zelfstandige: fatsoenlijk werk voor iedereen

Wereldwijd worstelen overheden met de juridische status van platformwerkers: zijn het werknemers in dienst of zelfstandig ondernemers? Loondienst lost een hoop op: vaak zijn zekerheden en beschermingen voor werknemers juridisch aan deze contractvorm gekoppeld, maar in de praktijk is dit lastig af te dwingen.

Ook in Nederland is de discussie nog lang niet klaar. Kijk maar naar de laatste uitspraak van het gerechtshof Amsterdam over de vraag of Uber-chauffeurs formeel in dienst zijn of niet. Conclusie: dat verschilt per chauffeur. En in continenten zoals Azië, Afrika of Latijns-Amerika is het al helemaal niet zo vanzelfsprekend om een arbeidsovereenkomst te hebben. Sterker nog: bijna de helft (46%) van de werkenden wereldwijd is zelfstandig ondernemer (ILO 2025).

Daarom is het op dit moment misschien nog wel belangrijker om antwoord te vinden op de vraag: hoe zorgen we ervoor dat de risico’s en kosten van zelfstandigen net zo goed gedekt zijn als die van werknemers? De grootste problemen komen doordat platformen de kosten en risico’s die in een werknemersrelatie voor rekening zijn van de werkgever, doorschuiven naar het individu.

Platformen verslechteren individuele onderhandelingsmacht

Het onderzoek van Human Rights Watch laat zien dat er actie nodig is. “We zien de gevolgen van gebrek aan regulering wereldwijd”, vertelt Simet. “Het klopt dat beroepsgroepen zoals schoonmakers, taxichauffeurs en maaltijdbezorgers ook voor de komst van platformen meestal niet in loondienst werkten. Maar wat verslechterd is, is hun onderhandelingsmacht.”

Ze noemt motortaxi’s in Kenia. “Vroeger bepaalden chauffeurs hun eigen prijzen in onderhandeling met de klant. Nu bepaalt de app de prijs. De chauffeur heeft daar geen enkele invloed meer op, zeker omdat deze bedrijven vaak monopolies vormen.”

Tegelijkertijd biedt platformisering hoop op verbetering. “Platformen maken werkenden die voorheen onzichtbaar waren, zichtbaar. Als het lukt om deze grote bedrijven te dwingen om werkenden fatsoenlijk te belonen, is dat een enorme kans om miljoenen werkers wereldwijd te voorzien van betere levensstandaarden.”

Libanon: forse groei sinds 2019

Simet is als ik haar spreek net terug uit Libanon voor een studie naar de situatie van platformwerkers. Tot haar verbazing was er nauwelijks onderzoek gedaan naar de platformeconomie, terwijl het business model daar enorm groeit. “Sinds de enorme economische crisis in 2019 is platformwerk voor velen de enige kans op een inkomen”, zegt ze. “De groep werkenden is enorm divers qua leeftijd, opleidingsniveau en beroep.”

Welke gevolgen heeft platformisering? Er vielen haar vier verontrustende zaken:

  1. Daling van het inkomen over tijd: Ze sprak veel mensen die al lang via platformen werken, soms al tien jaar. In die tijd is hun inkomen meestal gedaald. Velen ontvangen nu nog maar een vijfde van wat ze voorheen verdienden. Dat komt omdat er inmiddels veel meer platformwerkers zijn. Hoewel de prijzen voor klanten stijgen, hebben de platformen de vrijheid om de verdiensten voor de werkenden te verlagen.
  2. Gebrek aan sociale zekerheid: Werkers moeten alle kosten zelf dragen, hebben geen ziekteverlof en worden niet geholpen bij arbeidsongevallen.
  3. De enorme kloof tussen werker en bedrijf: Bedrijven zijn niet geïnteresseerd in klachten. Werkers kunnen zich nauwelijks verenigen om druk uit te oefenen.
  4. Volledig gebrek aan beleid. Platformwerk komt helemaal niet voor in de huidige arbeidswetgeving.

Traumatische overval

In de podcast vertelt Simet het aangrijpende verhaal van de 74-jarige taxichauffeur Abraham. Tijdens de crisis verloor hij zijn werk, zijn spaargeld en zijn pensioen. Vanwege zijn leeftijd namen reguliere taxibedrijven hem niet aan, dus ging hij in 2015 aan de slag via een taxiapp.

Op een dag werd hij als chauffeur door klanten met een mes op zijn keel overvallen. Ze stalen zijn telefoon en zijn auto. Hij zocht hulp bij het platformbedrijf, maar dat weigerde hem te helpen. In zijn overeenkomst stond tenslotte dat hij een “onafhankelijke contractant” (zzp’er) was, dus hij was volledig zelf verantwoordelijk. “Hij bleef getraumatiseerd en zonder auto achter”, zegt Simet. “Uiteindelijk kon hij met financiële hulp van zijn familie deze periode overleven en kreeg uiteindelijk van zijn broer een andere auto kado. Hij werkt weer, maar is nog elke dag bang.”

Volgens Simet illustreert dit verhaal dat het platformen met hun bedrijfsmodel expres alle kosten en risico’s naar de werkenden verschuiven. “Verantwoordelijkheid en menselijkheid ontbreken.” Dit terwijl juist platformen, die opereren in gefragmenteerde markten, de schaalvoordelen zouden kunnen inzetten om omstandigheden te verbeteren en risico’s te middelen. Dit niet doen is een bewuste keuze en strategie.

Uitbuiting in Texas

Onderzoek is de basis om beleid te creëren rondom fatsoenlijke arbeidsomstandigheden. Welke minimale bescherming hebben platformwerkers nodig? Wat is een leefbaar loon? Aangezien platformwerkers niet in dienst zijn, geen vaste tijden hebben en hun eigen middelen en zekerheid moeten regelen, is zo’n tarief heel anders opgebouwd dan een werknemersloon. Lees meer over een leefbaar tarief in deze blog.

In mei 2025 publiceerde Human Rights Watch het rapport The Gig Trap: Algorithmic, Wage and Labor Exploitation in Platform Work in the US. Daaruit blijkt dat platformwerkers in Texas flink worden uitgebuit.

5,12 dollar per uur

“Het was heel lastig om data te krijgen, want bedrijven zijn niet verplicht informatie te delen over werkenden die niet in dienst zijn”, vertelt ze. “We hebben dus informatie opgehaald bij de platformwerkers zelf. In eerste instantie zagen we een bruto-uurloon van 16,90 dollar. Maar dat is niet wat zij daadwerkelijk overhouden aan het werk.”

Omdat platformwerkers zelf de kosten voor hun voertuig, telefoon en internet moeten betalen, blijft er slechts 7,53 dollar over. Als je daar vervolgens de ‘non-wage benefits’ zoals pensioen- en verzekeringskosten van aftrekt die een normale werknemer zou krijgen, kom je uit op 5,12 dollar per uur. “Dat is ver onder het minimumloon van 7,25 dollar en nog verder onder een leefbaar tarief”, zegt Simet. Waarbij het goed is om te beseffen dat een minimumloon in Texas iet voldoende is om te kunnen leven. Kijk je naar het “leefbaar loon” (living wage) in Texas, dan komt dit volgens WageIndicator data momenteel uit op 16,49 dollar. En let wel: de gemelde inkomsten per werkenden zijn een gemiddelde. Er zijn platformwerkers die op dagen met hoge onkosten en weinig ritten vrijwel niets overhouden, waarbij het grote probleem is dat werkenden geen invloed hebben op de vraag naar werk en de hoeveelheid werkenden die op een platform actief zijn.

Hartverscheurend turbokapitalisme

“Ik vond het hartverscheurend om te horen dat platformwerkers zichzelf verwijten dat ze zo weinig verdienen”, zegt Simet. “Een oudere vrouw die boodschappen deed voor Instacart zei: ’tja, ik kan nu eenmaal niet snel genoeg lopen’.”

Ze noemt het turbokapitalisme (capitalism on steroids). “Iemands waarde en zijn inkomen worden slechts bepaald door hoe snel er winst uit hun arbeid kan worden geperst”, zegt ze. “Het heeft niets te maken met een eerlijke beloning en creëert perverse prikkels die mensen dwingen om hun gezondheid te riskeren.”

New York: collectieve actie leidt tot een eerlijkere beloning

Simet ziet gelukkig ook vooruitgang. Zo is het app-bezorgers in New York gelukt een minimumtarief af te dwingen. “Het is een prachtig voorbeeld van hoe collectieve actie tot verandering leidt”, vertelt ze. “De platformwerkers voerden eerst hun eigen onderzoek uit om de problemen aan te tonen en presenteerden dit aan de gemeenteraad. Het eigen onderzoek van de gemeente bevestigde hun bevindingen op basis van eigen onderzoek: van extreem lage beloningen tot gebrek aan veiligheid en schendingen van de privacy.”

New York gebruikte dit onderzoek als basis voor beleidshervormingen. De gemeente dwong de bedrijven niet om mensen als werknemer in dienst te nemen, maar bepaalde een minimumtarief voor platformwerkers om hun gebrek aan bescherming te compenseren. Ondanks fel verzet van bedrijven, voerde New York stapsgewijs een minimumloon in voor platformwerkers.

Discussie over wachttijd

Over dat tarief werd flink gediscussieerd. Platformbedrijven kwamen met het argument dat ze wachttijd niet kunnen betalen, omdat werkenden “toch meerdere apps tegelijk open hebben staan” en dan dus van drie verschillende platforms tegelijk betaald krijgen.

“In werkelijkheid wordt dit ‘multi-apping’ enorm overschat”, zegt Simet. “Zo’n 80 tot 90 procent van de platformwerkers gebruikt maar één app tegelijk. Bovendien beschikken deze bedrijven over alle data: ze kunnen tot op de seconde nauwkeurig uitrekenen wie wanneer beschikbaar is. In New York is dit inmiddels opgelost: bedrijven moeten betalen voor de volledige tijd dat werkenden verbonden zijn met de app, dus ook wachttijd.”

Efficiënter en eerlijker

Het resultaat? Omdat platformen nu zelf verantwoordelijk zijn voor de wachttijd, zijn ze efficiënter gaan plannen. Sinds de invoering van het minimumtarief in New York steeg het aantal bezorgingen per uur van 1,6 naar 2,5. Door de verantwoordelijkheid bij het platform te leggen, krijgt de app een directe prikkel om de tijd van de werker nuttiger te besteden.

De omstandigheden van de platformwerkers zijn enorm verbeterd, vertelt Simet. Het stadsbestuur kijkt nu naar vervolgstappen, bijvoorbeeld om platformwerkers te beschermen die om onduidelijke redenen van een platform worden verbannen.

Wereldwijd probleem, mondiale oplossing?

Het is duidelijk dat de uitwassen van de platformeconomie een mondiaal probleem zijn. Hoewel er nu lokale oplossingen bedacht worden, werkt de International Labour Organization (ILO) aan een mondiale oplossing. In juni 2026 wordt tijdens de ‘114e International Labour Conference’ in Genève met overheden, werkgevers en werknemersorganisaties gewerkt aan het afronden van de ‘ILO Platformwork Convention’. Een proces waar Lena namens Human Rights Watch aan meewerkt.

In Geneve worden wereldwijde afspraken gemaakt over platformwerk, met focus op sociale zekerheid, transparante algoritmes en het voorkomen van misclassificatie. Een conferentie waar ik ook zal proberen bij aanwezig te zijn om verslag uit te brengen van deze onderhandelingen. Wat de uitkomst ook zal zijn, het is wat mij betreft al flinke winst dat overheden zien hoe belangrijk dit thema is en het is gelukt om, tegen de verwachting van velen in, dit onderwerp op de globale agenda te krijgen. Eerlijke arbeidsomstandigheden zijn tenslotte een verantwoordelijkheid van ons allemaal.

Overleven versus perspectief? ‘Geen kwestie van geld, maar van verantwoordelijkheid nemen’

In de discussie over platformwerk stuit ik steeds weer op een groot dilemma. Online platforms bieden een snelle oplossing voor werk en inkomen op de korte termijn. Tegelijkertijd schieten ze vaak tekort in het bieden van goede arbeidsvoorwaarden, duurzame loopbanen en toekomstperspectief. Dit spanningsveld is volgens mij de belangrijkste uitdaging voor de toekomst van werk. Hoe lossen we het op?

Frida Mwangi weet er alles van. Ze maakte de overstap van huisvrouw naar platformwerker, en groeide vervolgens door tot ondernemer en vakbondsleider. Als mede-oprichter van de Kenya Union of Gig Workers (KUGWO) maakt ze zich sterk voor de rechten van Keniaanse platformwerkers. Haar lessen zijn niet alleen relevant voor Kenia, maar voor de platformeconomie wereldwijd. Ik sprak haar voor een nieuwe aflevering van The Gig Work Podcast van de WageIndicator Foundation tijdens mijn bezoek aan Nairobi, Kenia.

Een nieuwe start

Mwangi weet uit eigen ervaring welke kansen en gevaren de platformeconomie kan bieden. Nadat ze zeventien jaar fulltime moeder en huisvrouw was geweest, wilde ze weer aan het werk. Niet alleen om geld te verdienen, maar ook om een voorbeeld te zijn voor haar kinderen. Maar zonder recente werkervaring of referenties was een reguliere baan onbereikbaar.

Toen ontdekte ze Upwork, een van de grootste internationale platformen voor freelancers. Daar kon ze na een korte training direct aan de slag. Haar eerste werk was audio omzetten in teksten (transcriber). “Ik kon in mijn eigen tijd werken vanuit huis, dat was ideaal in combinatie met de opvoeding en het huishouden”, vertelt ze. “In het begin was het uitputtend, want het was mijn allereerste baan. Tegelijk voelde het als een bevestiging: ‘Oh, dit is echt. En het is iets wat ik daadwerkelijk kan.’ Het voelde als een kans op een nieuw leven.”

Leren van anderen

Mwangi wilde ooit advocaat worden, maar dat was er niet van gekomen. Leergierig was ze nog steeds. Ze ontdekte allerlei online gemeenschappen waarin platformwerkers kennis en ervaring deelden. “Daar leerde ik veel van, zowel over het werk als over hoe je hogere verdiensten kon halen”, vertelt ze. “Die gemeenschappen waren ontzettend waardevol. Binnen een mum van tijd had ik meer werk dan ik aankon. Ik wist mijn overvloedige werk uit te besteden via mijn eigen kleine onderneming: Kazi Remote.”

Dit laat zien dat platformwerk een springplank kan zijn naar werk en zelf ondernemerschap. Maar Mwangi ontdekte ook al gauw de negatieve kanten.

Frida Mwangi, foto door Martijn Arets

Eenzijdige voorwaarden

Ten eerste: arbeidsvoorwaarden en verdiensten konden zomaar ineens veranderen. Aanvankelijk verdiende ze tussen de 15 en 20 dollar per opdracht, later liep dat op tot 100 dollar toen zij zich specialiseerde in juridische, financiële en academische transcriptie opdrachten. “Toen meer mensen aan de slag gingen via Upwork, werden het lastiger om klussen te krijgen”, vertelt ze. “Het probleem was dat je moest bieden op opdrachten en dat systeem was onbetrouwbaar. Sommige dagen bleef je maar bieden zonder werk te krijgen.” Ook verschoof het werk van transcriberen naar het proeflezen van door AI gegenereerde transcripties.

Toen voerde Upwork een nieuw systeem in. Platformwerkers moesten credits kopen om te kunnen bieden op een klus. “Om een veilige positie op het platform te behouden, moet je soms wel 45 dollar per maand aan credits besteden”, vertelt Mwangi. “Voor wie uit een financieel kwetsbare situatie komt, is dat een flinke drempel. Het platform liet de werkenden ineens alle risico’s dragen.”

Buitensluiting en trage betalingen

Bovendien kon het algoritme je zomaar buitensluiten. “Soms werd je wakker en was je account zonder waarschuwing geblokkeerd”, zegt ze. “Vaak werd je vanzelf weer toegelaten, maar dat duurde even. In de tussentijd miste je inkomsten.”

Platformen namen geen verantwoordelijkheid, vertelt ze. “In het begin was PayPal niet toegankelijk voor de Afrikaanse regio. Toen de dienst wel beschikbaar kwam werden accounts regelmatig geschorst, terwijl het geld van de werkende er nog op stond. En liepen uitbetalingen soms maanden vertraging op. Als we klachten hadden, was niemand bereikbaar.”

Internetafval en mentale schade

Ironisch genoeg begon Frida’s activisme via een initiatief van het platform zelf. Tijdens een Upwork-evenement ontmoette ze andere freelancers en ontdekte ze dat ze niet de enige was met problemen. Ook hoorde ze schrijnende verhalen van collega’s in contentmoderatie en data-labeling. Dit is het werk waarbij mensen illegale of aanstootgevende teksten of video’s van platforms moeten verwijderen en algoritmes trainen om dit soort content te herkennen.

“Velen dachten dat ze vertaalwerk gingen doen, maar moesten in plaats daarvan dagelijks schadelijke inhoud filteren”, vertelt ze. “Het was afval, internet-afval waar je doorheen aan het ziften bent. En hoe meer je binnenkrijgt, hoe schadelijker het is voor je mentale gezondheid.”

‘Platformen bieden geen carrière’

Verder zag ze dat platformen weliswaar een opstap boden naar werk, maar werkenden niet echt vooruit hielpen. “Als ik was blijven steken in mijn transcriptiewerk, zou ik nu nauwelijks opdrachten meer hebben”, zegt ze. “Dit soort werk is inmiddels grotendeels geautomatiseerd. Dat geldt voor meer klussen via platformen.”

De techbedrijven bieden een lage drempel om aan de slag te gaan, maar zelden doorgroeimogelijkheden, trainging of begeleiding. Mwangi: “Ik realiseerde me dat platformen je geen carrière bieden, maar slechts geschikt zijn als tijdelijke plek om geld te verdienen. Toch worden vele afhankelijk, juist door gebrek aan doorgroeimogelijkheden.”

Georganiseerde actie is niet eenvoudig

Ook hoorde ze steeds meer verhalen over onderbetaling bij locatiegebonden werk, zoals taxidiensten. Al deze verhalen raakten haar diep en brachten een oude droom terug: advocaat worden. Ze voelde een sterke drang om op te komen voor platformwerkers. Mwangi: “Volgens mij moeten de platformen hun verantwoordelijkheid nemen, zowel qua arbeidsomstandigheden en beloning als qua langetermijnperspectief.”

Haar eerste poging in 2019 om een vereniging op te richten mislukte. “Niemand had ervaring met organisatievorming”, vertelt ze. “Bovendien is organiseren is niet eenvoudig in de platformeconomie. Waar je in een fabriekshal makkelijk met collega’s over problemen praat, zit zitten platformwerkers alleen thuis. Ook is er een kloof tussen de verschillende typen werk. De online freelancers voelen zich anders dan bijvoorbeeld de Uber-chauffeurs.”

Maar ze gaf niet op, want ze was ervan overtuigd dat collectieve actie noodzakelijk is. In 2024 kreeg ze het voor elkaar: samen met andere paltformwerkers stichtte ze de Kenya Union of Gig Workers (KUGWO). Het is de eerste Keniaanse vakbond die zich inzet voor betere arbeidsomstandigheden, lonen en rechten voor alle type platformwerkers.

‘Het is een kwestie van verantwoordelijkheid nemen

Mwangi’s visie: platformen kunnen zowel korte- als langetermijnvoordelen bieden voor werkenden. “Het is een keuze voor bedrijven om al dan niet mee te werken aan uitbuiting”, zegt ze. “Dat geldt niet alleen voor de platformen zelf. Hun klanten zijn vaak grote, westerse corporates. Deze bedrijven moeten de ‘S’ (Sociaal) in de ESG-principes (Environmental, Social, and Governance) niet vergeten.”

KUGWO werkt graag samen met techbedrijven om de belangen van de werkers voorop te stellen. Een mooi voorbeeld is de samenwerking met Microsoft/LinkedIn Learning. De Keniaanse vakbond kaartte aan dat platformwerkers die hun baan verloren door automatisering geen mogelijkheden hadden om hun vaardigheden te verbeteren. Na overleg bood Microsoft elf gratis cursussen aan (zoals projectmanager of softwareontwikkelaar) als opstap naar beter werk. Mwangi: “Dit bewijst dat je, zelfs in een complexe relatie, concrete en duurzame oplossingen kunt vinden.”

Frida Mwangi, foto door Martijn Arets

Kracht van sterke vakbonden

Tot slot sprak ik Mwangi over politieke invloed en regelgeving. Volgens haar wordt de stem van werkenden in Kenia structureel genegeerd door beleidsmakers. Haar oproep aan de rest van de wereld is dan ook helder: “Bouw sterkere instituties waarmee werkenden meer invloed kunnen uitoefenen. Steun ze, bijvoorbeeld met juridische en technische expertise. Werkgevers en overheden hebben al zoveel macht, de werkende staat zwak.”

Mwangi benadrukt dat je financiële onafhankelijkheid en een sterke ledenbasis nodig hebt om überhaupt te kunnen onderhandelen. Ze weet uit ervaring hoe moeilijk dat is. Toch heeft ze met haar veerkracht en doorzettingsvermogen al veel bereikt.

Tot slot: is het een dilemma?

Die oproep van Mwangi sluit aan bij eerdere gesprekken die ik voerde, zoals met Ephantus Kanyugi van de Keniaanse Data Labelers Association. Dit is geen officiële vakbond, en juist daardoor snel en flexibel. Mwangi koos een andere route: het oprichten van een formele vakbond, met alle bureaucratie en politieke dynamiek die daarbij komt kijken. In de praktijk zijn ze complementair. Ze hebben verschillende strategieën, maar een gedeeld doel: betere werkomstandigheden en beloning voor platformwerkers.

Ik ben het eens met Kanyugi en Mwangi: wat op korte termijn nodig is en wat op lange termijn belangrijk is, moet hand in hand gaan. Snel en laagdrempelig toegang tot werk, met zekerheid en toekomstperspectief. Zeker als de opdrachtgevers bedrijven zijn, moeten zij verantwoordelijkheid nemen en die niet afschuiven op de individuele werkenden. Opdrachtgevers en platformen moeten kiezen: dragen ze bij aan uitbuiting, of bouwen ze mee aan perspectief voor werkenden wereldwijd?

De rol van sociale partners in het gebruik van AI op werk

Vorige week mocht ik een bijdrage leveren aan een bijeenkomst georganiseerd door de ‘International Society for Labour and Social Security Law’ ism het Levenbach instituut. Het thema: ‘The role of social partners in the use of AI at work’. Na bijdragen over de ervaringen uit Nederland, België en Europa mocht ik afsluitend reflecteren en een workshop verzorgen. Een aantal take aways en gedachten:

  • De impact van technologie op arbeid is niet nieuw, we kunnen (net als voorgaande sprekers deden) veel leren door te kijken naar ervaringen uit het verleden;
  • Ai en werk gaat vaak niet over vervanging, maar over de kwaliteit van – en toegang tot – werk en een groeiende asymmetrie van macht tussen werk’gever’ en werkenden;
  • Sociale partners vullen het gat tussen regelgeving en samenleving, maar ik vraag mij af of de druk niet te hoog wordt wanneer handhaving ontbreekt en het is de vraag welke skills ontbreken bij sociale partners om een gelijkwaardige gesprekspartner te zijn in het debat;
  • Tegelijkertijd kunnen sociale partners echt een verschil maken door afspraken over AI (ik weet het: een heel breed begrip) mee te nemen in collectieve afspraken. Het enige nadeel hiervan is dat 1) collectieve afspraken doorgaans van toepassing zijn op werknemers, terwijl 46% van de werkende bevolking wereldwijd géén werknemer is, 2) cao’s veelal (zeker als je globaal kijkt) niet openbaar zijn: hierdoor kunnen bonden en sectoren niet goed van elkaar leren en 3) als je naar ‘worker protests’ in de gig economy kijkt (= de proefkeuken voor AI en arbeid) grassroots bewegingen veruit de grootste organisatoren zijn, niet vakbonden;
  • In discussies over arbeidsrecht wordt veelal de voorkeur voor het werknemerschap uitgesproken, terwijl in veel gevallen dit zal resulteren in het werken met subcontractors en uitzendbureau’s. Weer iemand die een stuk van de taart opeet, waarbij je 3x mag raden waar de rekening komt te liggen. Ik mis nog de meer bredere discussie over de waarde en waardering van werk;
  • We daardoor echt moeten nadenken over contract neutrale regelgeving en bescherming. Zie bijvoorbeeld ook dit paper over de Europese Platformwork Directive;
  • In discussies over AI en werk wordt vooral gekeken naar degene die de AI gebruikt of waar de AI op van toepassing is, maar niet naar de werkenden en het werk in de supply chain van AI.

Na mijn introductie en reflectie gingen de aanwezigen in groepen in gesprek over de volgende 4 vraagstukken die ik had meegenomen:

  1. Which stakeholder is responsible for setting up and managing a data wallet for workers: the GigCV case study.
  2. How can the cooperative model leverage power in the topic of work and AI for workers?
  3. How can we create a tariff floor for self-employed workers?
  4. How can social partners safeguard the rights of workers in the AI supply chain in a global labor market?

Al met al een interessante sessie om bij te wonen en bij te dragen en altijd erg leuk om meer te leren van andere disciplines. Dank Miriam Kullmann en Matthijs van Schadewijk voor de uitnodiging en organisatie en Mijke Houwerzijl, Juliana Londono, Simon Taes en Klara Boonstra voor jullie inspirerende presentaties.

Dit leerde ik tijdens het event ‘Ghostwork, de onzichtbare arbeid achter AI’

Vorige week organiseerde ik samen met Tessa Duzee bij de HvA het event ‘Ghostwork, de onzichtbare arbeid achter AI’. Het doel was om bewustwording te creëren rondom het feit dat er achter AI vele tientallen miljoenen kwetsbare werkenden zitten die de data annoteren en controleren en hiermee AI draaiende houden. En om het gesprek aan te slingeren hoe we deze omstandigheden kunnen verbeteren. Vanuit het individu, vanuit professionals in ‘Responsible AI’, vanuit de HvA zelf en vanuit organisaties (AI-bedrijven en hun klanten). Dit onder leiding van moderator Tessa en bijdragen van experts Fiona Dragstra (WageIndicator Foundation), Nanda Piersma en ondergetekende. Ook de datawerkers zelf kregen door middel van video fragmenten een podium, waar zij vertelden over hun ervaringen.

Het was interessant om de verschillende disciplines bijeen te brengen en open het gesprek aan te gaan met de 80 aanwezige studenten. Mijn 5 ‘take-aways’ van dit event:

  1. Het al dan niet uitbuiten van werkenden is een bewuste keuze. Niet uitbuiten ook. De datawerk markt kenmerkt zich als een to-business markt, wat anders is dan andere gig markten als taxi en delivery. En in een to-business markt zijn organisaties verantwoordlijk voor hun supply-chain. Ik kijk hier naar zowel de AI-bedrijven zelf, maar ook de klanten die zij bedienen;
  2. In een markt waar organisaties kapitaliseren op fragmentatie en informatie asymmetrie is verenigen meer belangrijk dan ooit. Denk aan vakbonden en coöperaties. De sleutel voor eerlijke(re) oplossingen of verzet ligt in het vinden en verbinden van knooppunten waar je kritieke massa mee kunt creëren. Kijk bijvoorbeeld ook naar organisaties als SURF en Public Spaces. Maar ook overheid is als (ik vermoed) de grootste klant van big tech en een grote distributeur van kapitaal middels subsidies zo’n knooppunt. Maak daar gebruik van, neem verantwoordelijkheid en durf keuzes te maken.
  3. Eerlijke(re) alternatieven creëren kost tijd. Het is niet reëel dat alternatieven vanaf dag één even soepel en schaalbaar te gebruiken zijn dan de huidige dominante spelers. Zij hebben immers een voorsprong van jarenlang innoveren, leren en doorontwikkelen. Betaald vanuit de inkomsten die wij als gebruiker hebben betaald. Deze cirkel doorbreken vraagt dat we door een ‘zure appel’ heen moeten bijten waar korte termijn gemak en lange termijn soevereiniteit met elkaar in gevecht zijn.
  4. Er wordt veel gesproken over Europese ‘kampioenen’. Natuurlijk ben ik voorstander van Europese techbedrijven, maar zolang er in het eigenaarschap en governance stuk niets veranderd, dan staat niets in de weg dat deze bedrijven uiteindelijk óf worden opgekocht door andere partijen, óf dat zij door winst gedreven keuzes maken die maatschappelijk een negatieve impact hebben. Daarom pleit ik er voor om naast techbedrijven van ‘eigen bodem’ ook het gesprek aan te gaan over eigenaarschap en governance en modellen als het Steward Ownership model meer gangbaar te maken en financiering van dit soort modellen aantrekkelijker.
  5. De grootste vraag die tijdens het event in de lucht hing was: ‘wat kun je als individu doen?’. Ten eerste vindt ik niet dat je de verantwoordelijkheid bij het individu mag neerleggen. Maar dat betekent niet dat je als individu niets kunt doen. Maak bewuste keuzes, ga het gesprek aan, luister kritisch naar jubelverhalen (en houd in gedachte wat het belang is van de afzender van een boodschap) en draag bij aan het zichtbaar maken en addreseren van de vraagstukken die er toe doen.

Al met al een mooie bijeenkomst en ik hoop dat dit heeft bijdragen voor een beter geïnformeerd debat over (responsible) AI bij de studenten, professionals en de HvA zelf.

De video van het event is terug te kijken via deze link.

Meer weten? Check dan deze 2 video’s over datawerk:

Van Bologna naar Big Tech: kritische lessen over datawerk en AI

Afgelopen week vond in Bologna de 8e conferentie van het ‘International Network of Digital Labor’ plaats. Een netwerk dat als missie heeft om de aspecten van werk in het digitale tijdperk te onderzoeken en te bespreken. Ik reisde per trein naar Bologna om het congres bij te wonen en mijn onderzoek rondom KlusCV en dataportabiliteit voor platformwerkers, wat ik doe aan het Hogeschool van Amsterdam, te presenteren. Tijdens het congres werd veel gesproken over datawerk(ers), kluseconomie en een bredere discussie over de impact van technologie op werk. In deze blog deel ik mijn inzichten en gedachten. Deels opgedaan tijdens het congres, maar ook het resultaat van 30 uur in treinen reflecteren. In mijn verhaal kies ik ervoor om datawerk en de arbeid achter AI centraal te zetten. Omdat bij dit vraagstuk alle uitdagingen van een disbalans van macht in de wereld van technologie, en dan vooral vanuit het perspectief van de ‘Big Tech’ platformen en mentaliteit, samenkomen.

Technologie heeft een groeiende impact op hoe wij werk vinden, uitvoeren, verdelen, controleren, evalueren en waarderen. Niet alleen op individueel niveau of binnen de silo van een organisatie, maar ook vanuit een geopolitiek perspectief. De impact op de individuele werkende komt veel ter sprake in de (op locatie en online) kluseconomie, maar is ook duidelijk zichtbaar op de (digitale) werkvloer. Daar is de laatste jaren de ontwikkeling van – en discussie over – AI bijgekomen. AI is daarbij ook geen losse silo, maar een technologische ontwikkeling binnen de automatisering van werk. En vindt altijd plaats binnen een bepaalde context.

Hoe platformen markten fragmenteren

Het platform model werkt goed in gefragmenteerde markten waar de kosten voor verschillende betrokken stakeholders (vaak: vraag en aanbod) om elkaar te vinden hoog zijn. Kort gezegd: markten met een hoge mate van informatie asymmetrie. De belofte van platformen is dat zij als ‘digitaal prikbord’ overzicht in deze markten als (social) media, e-commerce, de ‘sharing economy’ of de arbeidsmarkt betreft, zouden brengen. Als spil in het web hebben zij immers het overzicht en via digitale technologie kunnen zij de betrokken stakeholders faciliteren in matchen, creëren van vertrouwen en het uitvoeren van een transactie.

Bovenstaande alinea is hoe ik hier eerder naar keek, maar tegenwoordig ben ik kritischer. Of misschien beter gezegd: realistischer. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat platformen opereren in gefragmenteerde markten, maar zie een belangrijke nuance waar platformen er belang bij hebben dat deze markten meer gefragmenteerd raken én blijven en dat het aantal concurrenten met een gelijke informatiepositie zo klein mogelijk is.

Platformwerkers in Bologna, wachtende op hun volgende klus

Zo maakte Uber in het begin, door dienstverlening onder de kostprijs te verkopen en ‘creatief/selectief’ te zijn met het interpreteren van regelgeving, lokale taximarkten kapot. Niet alleen om marktaandeel te ‘veroveren’, maar ook om het aanbod in de lokale markt te fragmenteren en hiermee de eigen positie te versterken. Een nieuwe invulling van ‘verdeel en heers’. Ook social media platformen hebben, zeker als ik nu terugkijk op de afgelopen 20 jaar, de ‘markt’ van sociaal contact en de markt van business naar consumenten gefragmenteerd door gebruikers eerst te faciliteren met het platform en vervolgens de mogelijkheden om zelf eigenaar te zijn van je eigen netwerk te verkleinen. Zo is mijn zakelijk netwerk langzaam maar zeker afhankelijk geworden van mijn contactenlijst op Linkedin, maar was de functie om deze lijst (inclusief contactgegevens) te exporteren opeens verdwenen. Ook worden projecten of banen opgeknipt in taken. Soms veel efficiënter, maar ook een manier om de informatiepositie en hiermee het bedrijfsbelang te vergroten. En denk als laatst ook aan platformen als Booking die er alles aan doen om de informatie asymmetrie overeind te houden en gebruik maken van data van vraag (recensies) en aanbod (advertenties).

Naast lokaal en nationale fragmentatie, wordt er ook ingespeeld om internationale fragmentatie. Of misschien beter gezegd: gebruik van institutionele fragmentatie. Internationale regelgeving is afwezig, waardoor platform- en technologiebedrijven niet alleen landen en continenten tegen elkaar op kunnen zetten, maar ook kunnen ‘shoppen’ voor landen die niet te veel vragen stellen of die een slecht ontwikkeld institutioneel landschap hebben.

Het gevolg hiervan is een groeiende concentratie van macht, het steeds meer externaliseren van risico’s en kosten naar het individu en de samenleving en het vergroten van afhankelijkheid (en afnemen van soevereiniteit).

Datawerk

Een vakgebied waar het onderwerp fragmenteren op alle benoemde vlakken komt kijken is bij datawerk. Het werk dat aan de basis staat van de AI die wij met zijn allen gebruiken. Denk hierbij aan annoteren, modereren, controleren en actualiseren. Een onderwerp dat veelvuldig voorbijkwam tijdens de conferentie en waar ik de laatste tijd ook veel aan heb gewerkt, zoals je kunt lezen en luisteren in de laatste podcasts die ik maakte voor de WageIndicator Foundation.

Tijdens de conferentie werd de documentaire ‘In The Belly of AI’ getoond, wat een dystopisch beeld geeft van de condities waaronder de minstens 150.000.000 datawerkers hun werk moeten doen. Niet als een ongelukkige bijkomstigheid, maar als een weloverwogen strategie.

De trailer van de belangrijke en indrukwekkende documentaire ‘In the belly of AI’.

In Bologna kwamen verschillende datawerkers aan het woord en heb ik enkele van hen gesproken en de verhalen zijn intens. Mensen die door hun werk zo veranderen dat hun omgeving ze niet meer herkent. Zij worden regelmatig gediagnostiseerd met PTSS en zelfs jaren nadat zij met dit werk zijn gestopt hebben zij nog klachten, zoals slapeloosheid, nachtmerries en een aangetast kortetermijngeheugen.

Op de foto met o.a. verschillende vertegenwoordigers van datawerkers en content moderators.

Koloniale structuren en concentratie van macht: van Big Tabak naar Big Tech

De tweede dag vond plaats bij DAMA, waar op het terrein van een voormalige tabaksfabriek nu een ecosysteem van initiatieven rondom AI en data is gehuisvest. Een publiek initiatief. Hoewel DAMA een publiek initiatief is, is het gegeven dat het is gevestigd in een voormalige tabaksfabriek een interessante keuze. Je zou kunnen zeggen dat beide sectoren, tabak en Big Tech, veel gelijkenissen kennen. Denk aan het hebben van een ijzersterke lobby, een toonbeeld van ’gebruik’ maken van koloniale structuren (lees: uitbuiting) en het externaliseren van kosten en risico’s naar het individu en de samenleving.

Het dilemma is dat de impact van de tabaksector in essentie slecht is en zou moeten worden geminimaliseerd, waarbij AI, mits het onder de juiste condities wordt gebruikt, ook veel positieve kanten kent. Waarbij ik wel de kanttekening wil zetten dat wanneer er een eerlijke prijs voor AI zou worden betaald, veel diensten als ChatGPT voor een stuk minder mensen beschikbaar zou zijn of op zijn minst veel bewuster gebruikt zal worden. Iets dat op zich ook niet verkeerd zou zijn. Daarnaast is het ontmoedigen door beleid en individueel stoppen met roken eenvoudiger dan het stoppen met AI. Ik ben dan ook niet voor het stoppen met AI, maar wel voor AI die niet bestaande macht structuren adopteert en versterkt. Misschien naïef om te geloven dat het anders kan, maar uiteindelijk is alles een keuze en bij het maken van keuzes hoort het nemen van verantwoordelijkheid.   

AI: goed voor wie?

AI geeft meer mensen toegang tot meer mogelijkheden. Méér mensen, maar (lang) niet álle mensen. Sarah Roberts, professor aan de UCLA (Universiteit van Californië) en auteur van het boekBehind the Screen: Content Moderation in the Shadows of Social Media’ heeft een duidelijke mening over voor wie AI echt goed is. In haar presentatie noemde zij AI een ‘systematic mechanism for labor devaluation’. Zij stelde hierbij de (terechte) vraag: voor wie is AI goed? Natuurlijk plukken individuele gebruikers de vruchten van AI, al zijn zij intussen op een bepaalde manier datawerker en trainen zij een systeem dat de waarde afroomt.

Sarah Roberts, professor aan de UCLA (Universiteit van Californië) tijdens haar bijdrage in Bologna

Om te weten wie de echte winnaar is, is het belangrijk om te kijken waar de winst die met AI wordt gemaakt heen gaat. Zo kunnen werkenden dankzij AI efficiënter werken, maar zal dat over het algemeen leiden tot een werk- of opdrachtgever die meer werk binnen dezelfde tijd van de werkende verlangt. Dit zie je bijvoorbeeld terugkomen bij vertaalbureaus, maar ook in distributiecentra, wat te lezen is in het “Fairwork Amazon Report 2024: Transformation of the Warehouse Sector through AI.”. Dit geldt niet alleen voor laag gewaardeerde en betaalde precaire arbeid. Want wees eerlijk: zou jouw baas het toestaan dat jij de tijd die je wint door productiever te zijn voor hetzelfde salaris mag besteden aan vakantiedagen?

Los van de vraag waar de ‘winst’ heen gaat, kan je ook vraagtekens zetten bij het matra dat productiviteitswinst (wat door velen als een overdreven belofte wordt gezien, uitzonderingen daargelaten) leidt tot meer vrije tijd. Dat technologische verandering ook historisch gezien doorgaans niet bijdraagt aan minder werk kom ik tegen in twee boeken die ik momenteel lees: ‘More Work for Mother: The Ironies of Household Technologies From the Open Hearth to the Microwave’ van Ruth Schwartz Cowan en ‘Waiting for Robots, The Hired Hands of Automation’ van Antonio Casilli.

Oplossingen

Zoals eerder geschreven ben ik geen tegenstander van AI of technologie. Ook ik zie de mogelijkheden die er zijn en pluk dagelijks de vruchten van deze ontwikkelingen. Waar ik wel tegen ben is de ongelijkheid die groter wordt door technologie, de impact van deze grote bedrijven op het debat en beleid en de manier waarop kosten en risico’s worden geëxternaliseerd en winsten (ten koste van alles) worden geprivatiseerd.

Waar liggen de oplossingen? Hoewel er geen ‘golden bullet’ is die de boel recht kan trekken, begint het volgens mij bij het erkennen en herkennen van de situatie. Voorbij de mooie retoriek vanuit de industrie kijken en kritische vragen stellen. Om te beginnen wordt er veel gesproken over de impact van technologie. Volgens mij moet het minder om de technologie draaien, maar om de achterliggende keuzes en eigenaarschap en governance structuren. Technologie op zichzelf doet niets, het zijn de keuzes van de betrokken stakeholders die bepalen wat de effecten zijn. Voordeel van deze invalshoek is dat je je ook niet meer kunt verschuilen achter ‘het niet kunnen begrijpen’ van systemen omdat ze te complex zijn. Het systeem mag nooit centraal staan en iedereen, iedere stakeholder, is medeverantwoordelijk.

Daarnaast is het belangrijk om te erkennen dat techbedrijven bedrijven zijn, geen landen met een democratisch verkozen vertegenwoordiging. Spreek daarom alsjeblieft niet meer over democratiseren, aangezien iets meer mensen toegang geven en tegelijkertijd je eigen niet gekozen macht versterken weinig te maken heeft met democratie. Ik nodig je sowieso uit om kritischer te zijn in de woorden die gebruikt worden in de discussie. Wees scherper, wees kritischer.

Terug naar datawerkers: waar liggen hier de oplossingen? Het voordeel van de markt achter datawerk ten opzichte van de bredere kluseconomie markt is dat de afnemers van datawerk bijna altijd bedrijven zijn, terwijl afnemers in de kluseconomie bijna altijd consumenten zijn. Het voordeel van bedrijven is dat het makkelijker is om hen aan te spreken en hen verantwoordelijk te maken voor de keuzes die zij maken. In de kledingindustrie wordt uitbuiting in de productieketen tegengegaan, dit kan ook prima in de supply chain van AI. En nogmaals: het uitbuiten van datawerkers is geen bijkomend toeval, maar een heel bewuste keuze. Een keuze die wordt gemaakt door bedrijven met waarderingen van vele miljarden euro’s.

In een markt die draait om het fragmenteren is organiseren een laatste oplossingsrichting die ik aan wil dragen. Dit heb ik eerder onderzocht rondom het coöperatieve model (platform coöperaties) en ik zie ook in de datawerk sector mooie initiatieven als de Data Labelers Association, Turkopticon en de Worker Info Exchange. Veel initiatieven zijn bottom-up en vakbonden, waar de kern ligt in het organiseren van werkenden en hiermee verkleinen van het verschil in macht, kijken naar mijn mening nog te weinig naar hoe zij met creatieve tools deze werkenden kunnen ondersteunen. Zo woonde ik in Bologna een presentatie bij van ‘Reversing.works’, welke via werkenden onderzoeken welke data het platform van de werkende opslaat, gebruikt en verkoopt.

Simone Robutti van Reversing.works presenteerde tijdens de conferentie hoe zij de informatiepositie van digitaal werkenden versterken.

Tot slot

In deze blog heb ik al een hoop gezegd, waarbij het soms een uitdaging was om de structuur erin te houden. Ik hoop dat je mij dit kunt vergeven. Het congres in Bologna was de aanleiding om dit stuk te schrijven: een stuk waar een hoop denkwerk van de afgelopen maanden bijeen is gekomen.

Als er iets is van wat ik hoop dat je na het lezen van deze blog onthoudt zijn het drie woorden: samen, keuzes en macht. Samen: ik zie in het debat te veel silo’s met een eigen agenda en een eigen taal, zonder dat er veel interesse is om zich in de andere kant te verdiepen. Dat is zonde: de enige manier om naar een duurzame oplossing te werken is door samen met alle stakeholders te werken. Te snappen waarom de ander doet wat zij/hij doet. Dat je je misschien niet kunt identificeren met een andere stakeholder, betekent niet dat je de deur dicht moet gooien. Mijn tactiek is om ervoor te gaan om je niet te ergeren, maar te verwonderen. Dat heeft mij al veel geholpen. Met verwonderen, hoe moeilijk soms ook, blijf je nieuwsgierig en houd je de deur open.

Keuzes om te benadrukken dat alles wat we doen het gevolg is van keuzes die worden gemaakt. En keuzes kunnen worden beïnvloed. Wanneer je je bewsut bent dat keuzes kunnen en moeten worden gemaakt, ben je je ook bewust van jouw verantwoordelijkheid hierin. En als laats: macht. Uiteindelijk is het belangrijk om door alle mooie verhalen en toffe tooltjes heen te prikken en te kijken wat een ontwikkeling bijdraagt aan het verkrijgen of verliezen van macht. Door heel simpel de vraag te stellen: waarom zegt iemand wat hij of zij zegt en wie wint wanneer dit realiteit wordt. Wat neerkomt op het advies om kritisch te blijven, zonder te verzuren. Een flinke opgave in deze tijd, maar niets is onmogelijk.

De ontwikkeling van DAC7: 5 lessen voor een werkbare regulering van de platformeconomie

Uber taxi Amsterdam

Platformbedrijven moeten sinds 2023 gegevens van aanbieders delen met de Belastingdienst. Welke gevolgen heeft deze nieuwe wet? Hoe kunnen we komen tot betere regelgeving? Onderzoekers Ahmed Darwish en Martijn Arets delen lessen.

Platformexploitanten zijn sinds 2023 verplicht gegevens van verkopers te verzamelen en te delen met de Belastingdienst. Deze zogenoemde Directive on Administrative Cooperation (DAC7) zorgen voor meer transparantie over inkomsten die mensen verdienen via digitale platformen via een rapportageverplichting. Ook moet het de fiscus helpen fraude te bestrijden.

Doet de wet wat de Europese Raad ermee beoogt? Hoe kan het beter? Als onderdeel van de Platform Economy Research Group aan de Haagse Hogeschool namen wij, Ahmed Darwish en Martijn Arets, de ontwikkeling en de effecten van de wet onder de loep. Hoewel de wet op het eerste gezicht logisch en praktisch lijkt, zijn er in de praktijk nogal wat problemen en vragen van ondernemers. Wat kunnen beleidsmakers hiervan leren?

5 lessen voor regelgeving in de platformeconomie

  1. Zorg voor duidelijke richtlijnen
  2. Bied ondersteuning
  3. Raadpleeg belanghebbenden vooraf
  4. Implementeer regels op basis van bedrijfsgrootte
  5. Zorg dat overheidsinstellingen klaar zijn voor de nieuwe wet

Wat is DAC7?

DAC7 is een Europese richtlijn die de fiscale transparantie over inkomsten via digitale platformen moet verbeteren. Op 1 januari 2023 moesten alle lidstaten van de Europese Unie deze richtlijn in hun belastingwetgeving opnemen (DAC7, Artikel 2.1). Sindsdien zijn digitale platformen verplicht de inkomsten van verkopers te identificeren, te verifiëren en te rapporteren.

De wet geldt specifiek voor platformen die vraag en aanbod van producten en diensten samenbrengen (DAC7, Article 1.8). Zij moeten de gegevens van verkopers op hun platform delen met de Belastingdienst. Dit kunnen verkopers zijn van goederen, zoals tweedehandsspullen (Marktplaats, Vinted) en nieuwe goederen (Bol, Amazon). Ook verkoop en verhuur van vakantiehuizen (AirBnb, Booking) valt onder deze wet. Het kan verder ook gaan over leveranciers van diensten, denk aan taxichauffeurs (Uber, Lyft), oppas (Charlie Cares) of maaltijdbezorging (Thuisbezorgd, UberEats).

Elk platform waar verkopers bepaalde diensten of goederen kunnen aanbieden aan andere gebruikers, valt mogelijk onder de richtlijn. Het maakt niet uit of het platformbedrijf in de EU is gevestigd, zolang de verkopers maar inwoner zijn in de EU. Lidstaten wisselen de gegevens ook onderling uit. Webwinkels die alleen eigen producten verkopen, vallen niet onder de nieuwe wetgeving.

De EU maakt zo slim gebruik van de kracht en informatiepositie van digitale platformen. Zij hebben namelijk toegang tot informatie over markten die voorheen uiterst gefragmenteerd waren. Voordat platformen vraag en aanbod digitaal samen brachten, verhandelden mensen namelijk ook al producten en diensten. Hoewel ze soms verplicht waren hun inkomsten op te geven, deden velen dat niet. De Belastingdienst had geen zicht op hun inkomsten. Platformen kunnen overheden dus helpen om informatie te verkrijgen over onzichtbare markten (European Commission, Rationale).

Waarom deze casestudie?

Dat digitale platformen gebruikersgegevens delen met overheidsinstanties, lijkt eenvoudig en logisch. Maar in de praktijk blijkt de invoering van de richtlijn ingewikkelder. Er zijn namelijk veel verschillen tussen nationale overheden en tussen digitale platformen onderling. Hoewel de platformeconomie voornamelijk uit kleine bedrijven bestaat, lijken wetten vooral gericht op grotere bedrijven met meer middelen om data op te slaan en te verwerken. De markt van platformbedrijven is namelijk vooral een MKB-markt. Volgens de ‘Monitor online platformen 2023’ (CBS, 2023) hebben 64,2 procent van de 1.600 Nederlandse platformbedrijven 2 of minder werknemers. Slechts 5 procent van deze bedrijven heeft meer dan 100 werknemers. 

Wij deden een verkennende casestudie van DAC7, waarbij we ons richtten op de Nederlandse context. We interviewden allerlei betrokken partijen en experts, onder wie platformondernemers, -vertegenwoordigers, experts van de Belastingdienst en wetenschappers. We analyseerden de richtlijn, de implementatie ervan en de impact op de platformeconomie. Zo kwamen we tot vijf aanbevelingen voor toekomstige beleidsinitiatieven rondom de platformeconomie.

Voordelen

De belangrijkste voordelen van DAC7 zijn:

  1. Minder fraude door data-uitwisseling

Door data uit te wisselen kunnen ondernemers en overheden samenwerken om belastingfraude tegen te gaan. Dat nationale overheden gegevens uitwisselen, is slim. DAC7 bevordert ook grensoverschrijdende belastingnaleving, omdat sommige (grote) digitale platformen in meerdere landen actief zijn. De uitwisseling van gegevens maakt het eenvoudiger om inkomsten te monitoren (European Commission, Rationale). Door de inkomsten transparant te maken, kan de Belastingdienst ook beter beoordelen of iemand voor fiscale doeleinden ondernemer is of niet. DAC7 geldt alleen binnen de EU, maar bevordert ook internationale samenwerking met landen buiten de EU dankzij de afstemming op OESO-richtlijnen. Omdat gebruikers weten dat hun inkomensgegevens gedeeld worden, zullen zij bewuster zijn dat zij mogelijk belasting moeten betalen. DAC7 helpt zo niet alleen belastingfraude op te sporen, maar ook te voorkomen. Het succes hangt af van het vermogen van de Belastingdienst om de gegevens te verzamelen en betrouwbaar te verwerken. Ook is het belangrijk dat platformen DAC7 op de juiste manier implementeren en hun gebruikers er goed over informeren.

  1. Betere samenwerking tussen overheden en platformondernemers

Technologische ontwikkelingen gaan razendsnel en daardoor loopt beleid vaak achter. Een transparante samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven vermindert de informatiekloof en bevordert wederzijds kennis en vertrouwen. DAC7 is een stap in de juiste richting. Met hun waardevolle data kunnen platformen overheden helpen bij handhaving en regulering, mits de processen werkbaar zijn en de impact op bedrijfsprocessen en dataverzameling proportioneel.

  1. Verbetering van KYC-processen

DAC7 standaardiseert Know Your Customer (KYC)-processen, want platformen moeten gegevens over gebruikers (zoals naam, adres en belastingnummers) allemaal op dezelfde manier verzamelen, verifiëren en rapporteren aan nationale belastingautoriteiten. Deze standaardisering vermindert compliance-kosten, verhoogt voorspelbaarheid voor gebruikers en kan de basis zijn voor andere wetgeving (Vidal, 2024).

Nadelen

De nieuwe richtlijn heeft dus een hoop potentiële voordelen, maar hij is verre van perfect. Uit onze analyse blijken de belangrijkste nadelen:

  1. Een te brede definitie, te krappe tijdslijn en gebrek aan richtlijnen voor platformen

De tijdslijn van beleidskeuzes en implementatie waren ronduit krap. Zo nam de Eerste Kamer op 20 december 2022 een definitieve beslissing over de DAC7-wet en moesten bedrijven die minder dan twee weken later (1 januari 2023) al geïmplementeerd hebben. Het was ook verwarrend voor platformen dat DAC7 per lidstaat op een ander moment geïmplementeerd moest zijn (Trolley, 2024). Hoewel alle lidstaten op hetzelfde moment klaar moesten zijn voor DAC7, namen sommige overheden meer tijd dan anderen (European Commission, 2023). Dit was vooral moeilijk en kostbaar voor platformen die in meerdere lidstaten actief zijn.

Veel platformen vonden de richtlijn onduidelijk en dat leidde tot onzekerheid. De bepalingen van de richtlijn bevatten brede en vage formuleringen. Daarnaast was de gebruikte definitie van wat een platform binnen deze wetgeving nu precies betekende abstract en onduidelijk. Sommige ondernemers maakten te hoge nalevingskosten, omdat ze bang waren voor boetes. Deze onzekerheid en onduidelijkheid had ook zijn weerslag op aanbieders van platformen, die soms ineens meer persoonlijke data moesten delen terwijl niet duidelijk was waarom. 

Vanwege deze krappe deadline gaf de Belastingdienst platformen wel wat meer tijd en coulance, een zogenaamde ‘zachte landing’. De fiscus probeerde ondertussen platformen goed te informeren en op weg te helpen. Nu die fase erop zit, gaat de Belastingdienst langzaam over op strengere handhaving.

  1. Hoge nalevingskosten en ongelijkheid

Met DAC7 legt de Europese overheid ondernemers een zware administratieve last op. Dat geldt nog het meest voor kleine en middelgrote bedrijven (mkb). De richtlijn lijkt vooral gericht op hele grote platformen, maar de verplichtingen zijn ook van toepassing op kleinere spelers. Voor hen zijn de kosten voor dataverzameling, opslag en rapportage hoog. Het werk en de kosten die zij moeten investeren om aan de wet te voldoen, belemmeren groei en innovatie. Waar in de OESO-richtlijn een uitzondering is meegenomen voor kleine platformbedrijven tot 1 miljoen euro omzet, heeft de EU in de DAC7- richtlijn geen uitzondering meegenomen (OECD MRDP, 2020).

  1. Mogelijke afname van deelname aan platformen

Strengere rapportageverplichtingen maken verkopen via digitale platformen minder aantrekkelijk. Gebruikers worden terughoudend omdat zij niet kunnen overzien wat de Belastingdienst met de gerapporteerde gegevens gaat doen en welke impact dat heeft op de belastingheffing. Sommige gebruikers besloten uit onzekerheid zelfs buiten het platform om te gaan werken. Onderzoek toont aan dat kennis van DAC7-regels de bereidheid om via platformen te werken verlaagt. Gebruikers krijgen het gevoel dat de overheid ze streng in de gaten houdt. Dat leidt tot wantrouwen (Mol & Molho, 2024).

  1. Extra verzamelen van privacygevoelige gegevens

Om te voldoen aan DAC7 moeten platformen soms extra persoonlijke data opvragen en opslaan van hun aanbieders. Dit is het meest zichtbaar bij platformen die bemiddelen in vraag en aanbod van tweedehands goederen. Zij slaan data op die niet essentieel is voor de transactie en dat is een privacy risico.

  • Beperkte capaciteit van belastingdiensten

Ten slotte twijfelen platformondernemers eraan of de Belastingdienst in staat is om te gaan met de enorme hoeveelheid data. De Belastingdienst geeft aan dat de DAC7-data een nieuwe bron van informatie is voor inspecteurs. De fiscus wil eerst weten hoe betrouwbaar de data is, voordat inspecteurs het zullen gebruiken voor handhaving. Als de fiscus in de toekomst aanleiding heeft om te denken dat mensen de wet niet naleven, zullen inspecteurs kiezen voor andere handhavingsinstrumenten, bijvoorbeeld een reguliere controle. Daarbij kan de inspecteur de gerapporteerde DAC7-data gebruiken om na te gaan of de opgegeven belastinginformatie klopt. Hoewel de Belastingdienst optimistisch is over hun vermogen om grote datasets te analyseren, zijn platformen kritisch. Totdat zij zien wat het oplevert, voelt voldoen aan de richtlijn als een buitenproportionele last.

Conclusie: 5 lessen voor betere richtlijnen

  1. Zorg voor duidelijke richtlijnen en een realistische tijdslijn

De eerste les is dat wetgeving gepaard moet gaan met heldere, consistente en toegankelijke richtlijnen. Dat maakt het eenvoudiger voor kleine tot middelgrote ondernemers om te voldoen aan de regels. Veel problemen bij de naleving van DAC7 kwamen voort uit verwarring over de wetgeving. Die verwarring ging zowel over de rapportageverplichting als over de gevolgen voor de belastingheffing. Ook blijkt een realistische tijdslijn voor implementatie belangrijk.

  1. Bied ondersteuning

De tweede les is dat starters en andere kleine ondernemers ondersteuning nodig hebben om complexe wetten na te leven. Deze ondernemingen hebben meestal geen juridische afdeling. Daardoor weten ze soms niet welke invloed wetgeving heeft op hun bedrijf en hoe ze aan de regels moeten voldoen. Gerichte ondersteuning helpt ondernemers strategieën voor naleving te ontwikkelen. De overheid dwong platformen zelf tijd en middelen te investeren in juridisch advies, nalevingsexpertise en het uitbesteden van datatransmissie. Dat ontmoedigde hun investeerders en belemmerde groei. Autoriteiten moeten daarom gerichte ondersteuning ontwikkelen voor het mkb, zoals:

  1. Eenvoudige checklists, tijdlijnen en stap-voor-stap-instructies, zoals de door de Belastingdienst opgezette informatiepagina over DAC7;
  2. Gerichte nalevingsondersteuningsprogramma’s en adviesdiensten. Zo heeft de Belastingdienst via intermediairdagen en koepelorganisaties informatieve presentaties over DAC7 gehouden;
  3. Toegang tot digitale tools en oplossingen.

Het is cruciaal om mkb’ers actief op de hoogte te brengen van deze ondersteuning. Ook zou de overheid de platformgebruikers moeten informeren. Ondersteuning in communicatie of een publieke informatiecampagne kan namelijk zorgen voor meer acceptatie en bewustwording.

3. Raadpleeg belanghebbenden vooraf

Het is verstandig zo vroeg mogelijk in gesprek te gaan met platformondernemers over nieuwe regels. Op die manier kunnen beleidsmakers wetgeving en richtlijnen ontwikkelen die goed aansluiten bij de praktijk. Na de invoering van DAC7 voelden belanghebbenden zich niet altijd gehoord. In dit geval kreeg de internetconsultatie vooraf nauwelijks reacties, omdat te weinig kleine ondernemers ervan af wisten of DAC7 niet als prioriteit op de agenda hadden staan.Grote platformen hadden het gevoel dat er weinig gedaan werd met hun feedback. Een eerdere consultatie op nationaal niveau zou hier van toegevoegde waarde kunnen zijn.

Samenwerking verbetert de effectiviteit van de wetgeving, vooral bij complexe bedrijfsmodellen en in onvoorspelbare situaties. Het geeft ook beleidsmakers inzicht in de processen en variabelen binnen een op het eerste oog homogene populatie van bedrijven. Verder zorgt het voor meer vertrouwen en transparante communicatie tussen ondernemers en beleidsmakers.

4. Implementeer regels op basis van bedrijfsgrootte

De vierde les is dat de regeldruk niet buitenproportioneel mag zijn. Hoewel je van bedrijven mag verwachten dat zij hun klant goed kennen (KYC), kunnen te hoge financiële en administratieve lasten nieuwe investeringen ontmoedigen en groei belemmeren. Een aanbeveling is richtlijnen proportioneel toe te passen op basis van de omvang van het platform. Terwijl de Europese Commissie en de OESO dachten dat de nieuwe regels alleen de grote platformen zouden raken, vielen middelgrote en kleine platformen binnen de regels.

Een betere aanpak zou een gecategoriseerde structuur zijn, waarbij rapportageverplichtingen worden afgestemd op de grootte of omzet van een onderneming. De kosten en bijkomende werklast van het naleven van de regels moeten in verhouding staan tot de omvang van het bedrijf. Zo raken kleine ondernemers niet overbelast of oneerlijk benadeeld ten opzichte van grote, gevestigde concurrenten.

Daarnaast moeten beleidsmakers opletten als ze de scope bij het ontwerp van een wet verbreden. Dit gebeurde bij de totstandkoming van DAC7 meerdere keren. Dat ging te makkelijk en nu is het de vraag of de last die DAC7 met zich meebrengt opweegt tegen de mogelijke nadelen.

5. Zorg dat overheidsinstellingen klaar zijn voor de nieuwe wet

De vijfde en laatste les is dat overheidsinstellingen zoals de Belastingdienst vooraf klaar moeten zijn voor de nieuwe regels. De technologie en het team moeten de uitvoering en opvolging van de richtlijnen aankunnen. Zo ervaarden platformen een hoge drempel door de complexe rapportagemethode. De Belastingdienst biedt geen eigen portaal voor ondernemers om de rapportage in te dienen. Platformbedrijven moeten daarom in hun eigen software een toegangspoort ontwikkelen die direct communiceert met de systemen van de Belastingdienst, of gebruik maken van tussenpersonen die hier tussen de 1.300 en 1.800 euro voor in rekening brengen (NRC, 2025).De Belastingdienst erkent dit nu en werkt aan een eenvoudiger systeem. Maar nu hebben ondernemers het gevoel dat ze tijd en geld hebben verspild aan zaken die ze later weer moeten aanpassen. Met kleinschalige tests vooraf zou je dit in het vervolg kunnen voorkomen.

Bronnen en dankwoord

Wij danken de experts die hebben meegewerkt aan dit onderzoek door middel van interviews en feedback op dit artikel. In het bijzonder Chantal Malfeyt (Marktplaats), Joey van Angeren (Vrije Universiteit Amsterdam), Pepijn Niesten (Booka Rentals), Juan Manuel Vázquez (UvA), Jasper van Schijndel (PwC) en Dion Egiyan (PwC). Ook danken wij Merel Hillen van de Haagse Hogeschool voor de coördinatie en organisatie.

Bronnen:

  1. Anu Bradford ‘The False Choice Between Digital Regulation and Innovation’ (7 March 2024) 118 Northwestern University Law Review 2.
  2. Alexander Kobakhidze ‘Challenges for Digital Platform Operators as DAC7 Looms’ (Bloomberg Tax, 2022) <https://news.bloombergtax.com/daily-tax-report-international/challenges-for-digital-platform-operators-as-dac7-looms>.
  3. Anthony Mark A. Gutierrez, ‘Decode: Taxing the Digital Economy’ (2021) 65 Ateneo LJ 1028.
  4. Apostolos Thomadakis and Vieri Ceriani ‘EU Corporate Taxation in the Digital Era – The Road to a New International Order’ (2023) CEPS-ECMI Task Force Report, Centre for European Policy Studies.
  5. Andrew Victor Kofman ‘Small Businesses, Big Burdens: Harnessing RegTech to Help SMEs Meet Compliance Requirements’ (Utica University, May 2023) <https://www.proquest.com/openview/9362ac6fced977c55c22013bbd9f28d3/1?pq-origsite=gscholar&cbl=18750&diss=y>. 
  6. Bicchieri, C., Fatas, E., Aldama, A., Casas, A., Deshpande, I., Lauro, M., Parilli, C., Spohn, M., Pereira, P., & Wen, R. (2021). In science we (should) trust: Expectations and compliance across nine countries during the COVID-19 pandemic. PLoS One, 16(6), e0252892. <https://doi.org/10.1371/journal.pone.0252892>.
  7. Boer, K., & Gribnau, H. (2018). Legal aspects of behaviourally informed strategies to enhance tax compliance. In tax nudges (pp. 53–64). <https://doi.org/10.2139/ssrn.3295964>.
  8. Batrancea, L., Nichita, A., Olsen, J., Kogler, C., Kirchler, E., Hoelzl, E., Weiss, A., Torgler, B., Fooken, J., Fuller, J., Schafner, M., Banuri, S., Hassanein, M., Alarcón-García, G., Aldemir, C., Apostol, O., Bank Weinberg, D., Batrancea, I., Belianin, A., & Zukauskas, S. (2019). Trust and power as determinants of tax compliance across 44 nations. Journal of Economic Psychology. <https://doi.org/10. 1016/j.joep.2019.102191>.
  9. Catherine Mpolokeng Sephapo, Michael Colin Cant, Johannes Arnoldus Wiid ‘Tax Compliance: An Administrative Burden for Small Business Enterprises (SME’S)’ 13 Corporate Ownership & Control 4.
  10. Daan Arends, Jesse Peeters, Wouter Kolkman ‘DAC7 adds reporting obligations for EU digital platform operators’ (International Tax Review, 2022) <https://www.internationaltaxreview.com/article/2a7cstq7ub837k2cbbm68/dac7-adds-reporting-obligations-for-eu-digital-platform-operators>.
  11. Daniel Bunn ‘A Summary of Criticisms of the EU Digital Tax’ (Tax Foundation – Europe, 2018) <https://taxfoundation.org/research/all/eu/eu-digital-tax-criticisms/>.
  12. ‘DAC7: Rationale’ (European Commission) <https://taxation-customs.ec.europa.eu/taxation/tax-transparency-cooperation/administrative-co-operation-and-mutual-assistance/dac7_en#rationale>.
  13. ‘DAC7: Lessons Learned – The Dutch Tax Authority shows leniency, but compliance is expected.’ (RSM) < https://www.rsm.global/netherlands/en/insights/dac7-lessons-learned-dutch-tax-authority-shows-leniency-compliance-expected>.
  14. Daisy Ogembo and Vili Lehdonvirta ‘Taxing Earnings from the Platform Economy: An EU Digital Single Window for Income Data?’ (2020) British Tax review (1): 82-101.
  15. Dejan Ravšelj, Polonca Kovač, Aleksander Aristovnik ‘Tax-Related Burden on SMEs in the European Union: The Case of Slovenia’ 10 Mediterranean Journal of Social Sciences 2.
  16. ‘EU Adopts Tax Transparency Rules for Digital platformen (DAC7)’ Ernst and Young <https://go.ey.com/39ukiw8>.
  17. European Commission. (2016). A European Agenda for the collaborative economy. In The European Economic and Social Committee.
  18. European Commission. (2020). Tax fraud and evasion – better cooperation between national tax authorities on exchanging information
  19. Gerhard Huemer ‘Productivity growth in Europe is hampered by high administrative burdens and lack of finance’ (SMEUnited, 15 May 2024) <https://www.smeunited.eu/news/productivity-growth-in-europe-is-hampered-by-high-administrative-burdens-and-lack-of-finance>.
  20. Huws, U., Spencer, N. H., Syrdal, D. S., & Holts, K. (2017). Work in the European Gig Economy: Research results from the UK, Sweden, Germany, Austria, The Netherlands, Switzerland and Italy. Foundation for European Progressive Studies. <https://uhra.herts.ac.uk/bitstream/handle/ 2299/19922/Huws_U._Spencer_N.H._Syrdal_D.S._Holt_K._2017_.pdf>.
  21. Ian Bradley, ‘Automatic Exchange of Information (AEOI) services: DAC7, DAC8 and CESOP’ Ernst and Young <https://www.ey.com/en_za/financial-services/aeoi>.
  22. ‘Inside DAC7: The EU’s Newest Tax Directive & Its Implementation Status’ (24 October 2024, Trolley) <https://trolley.com/learning-center/dac7-implementation-progress/>.
  23. Josef Bergt, ‘A New Era of Tax Transparency: An of DAC7 and its Implications for International Tax Compliance’ (Chambers and Partners, 2023) <https://chambers.com/articles/a-new-era-of-tax-transparency-an-of-dac7-and-its-implications-for-international-tax-compliance>.
  24. José Van Dijck, J. (2021). Seeing the forest for the trees: Visualizing platformization and its governance. New Media & Society, 23(9), 2801– 2819. <https://doi.org/10.1177/1461444820940293>.
  25. Jane Wang, ‘Taxing the Digital Economy: Theory, Policy and Practice’ (2021) 27 Auckland U L Rev 458.
  26. ‘Key Administrative Burdens Faced by Revenue’s Small and Medium Sized Business Customers’ (Revenue.ie , March 2008) <https://www.revenue.ie/en/corporate/documents/research/admin-burden-report.pdf>.
  27. Kogler, C., Batrancea, L., Nichita, A., Pantya, J., Belianin, A., & Kirchler, E. (2013). Trust and power as determinants of tax compliance: Testing the assumptions of the slippery slope framework in Austria, Hungary, Romania and Russia. Journal of Economic Psychology, 34, 169–180. <https:// doi.org/10.1016/j.joep.2012.09.010>.
  28. Kathleen DeLaney Thomas, ‘Taxing the Gig Economy’ (2018) 166 U Pa L Rev 1415.
  29. Kirchler, E., Hoelzl, E., & Wahl, I. (2008). Enforced versus voluntary tax compliance: the “slippery slope” framework. Journal of Economic Psychology, 29(2), 210–225. <https://doi.org/10.1016/j. joep.2007.05.004>.
  30. Kaido Künnapas, Begoña Pérez Bernabeu, Katariina Kuum, and Karl Oskar Pungas, ‘Taxes on the Digital Economy’ (2023) Springer International Publishing 101.
  31. ‘Kleine Marktplaatsen kunnen nauwelijks aan verplichte belastingrapportage voldoen’ (16 January 2024, NRC) <https://www.nrc.nl/nieuws/2025/01/16/kleine-marktplaatsen-kunnen-nauwelijks-aan-verplichte-belastingrapportage-voldoen-a4879757”
  1. KPMG Malta, ‘DAC7 – New reporting obligations for digital platformen’ (KPMG, April 2021) <https://assets.kpmg.com/content/dam/kpmg/mt/pdf/2021/04/dac7-new-reporting-obligations-for-digital-platformen.pdf> accessed 12 August 2024.
  2. Laura Crockett, ‘Taxing Uncertainty: Electronic Commerce’ (2013) 4 Geo Mason J Int’l Com L 383.
  3. Lidia Vidal, ‘KYC: The EU Digital Service Act Adds to platformen’ DAC-7 Duties’ (19 February 2024, Pinsent Masons) <https://www.pinsentmasons.com/out-law/analysis/kyc-the-eu-digital-services-act-adds-platformen-dac7-duties>.
  4. Madeleine Merkx, ‘Exchange of Information and Administrative Cooperation between Countries in a Globalished and Digital Economy’ (2022) 15 Erasmus L Rev 73.
  5. Maciej Nyka & Karolina Zapolska, ‘The Impact of the DAC7 Directive on the Functioning of platformen and Platform Operators, from the Perspective of the Legal Model of Their Collaboration with Individuals’ (2024) 29 Bialostockie Studia Prawnicze 177.
  6. Mol, J.M., Molho, C. ‘Information about changes in platform economy taxation diminishes optimism regarding future use’ J Econ Sci Assoc (2024). <https://doi-org.ezproxy.hhs.nl/10.1007/s40881-024-00160-y>.
  7. ‘Model Rules for Reporting by Platform Operators with respect to Sellers in the Sharing and Gig Economy’ (OECD, 2020).
  8. ‘Monitor online platformen 2023 – Cijfermatig inzicht in de kenmerken en ontwikkeling van online platformen in Nederland’ (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2024) <https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/rapportages/2024/monitor-online-platformen-2023/2-demografie>.
  9. Michael Wenzel ‘Tax Compliance and the Psychology of Justice: Mapping the Field’  Taxing Democracy 2002: 41-70.
  10. Nathalie Bravo ‘The Meaning of Platform Under DAC7: More Clarity Needed’ (Wolters Kluwer, 2023) < https://kluwertaxblog.com/2023/06/27/the-meaning-of-platform-under-dac7-more-clarity-needed/>.
  11. Nevia Čičin-Šain and Joachim Englisch, ‘Joint audits under the new DAC 7’ (Kluwer International Tax Blog, 2021) <https://kluwertaxblog.com/2021/06/01/joint-audits-under-the-new-dac-7/> accessed 12 August 2024.
  12. ‘New Survey Reveals that SMEs Struggle with The EU’s Sustainable Finance Framework’ (Eurochambers, 2023) <https://www.eurochambres.eu/publication/new-survey-reveals-that-smes-struggle-with-the-eus-sustainable-finance-framework/>.
  13. ‘Non-transposition of EU legislation: Commission takes action to ensure complete and timely transposition of EU directives’ (27 January 2023, European Commission) <https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/inf_23_262>.
  14. Pieter Buyl and Annelies Roggeman ‘Do SMEs Face a Higher Tax Burden? Evidence From Belgian Tax Return Data’ (2019) 28 Prague Economic Papers 6 pp729-747.
  15. Paula Rosado Pereira ‘Online platformen and Taxes in the EU: A Compatible Match?’ (Springer, 2023) Law, Governance, Technology Series 57 < https://doi.org/10.1007/978-3-031-40516-7_8>.
  16. Ramona Ciobanu, ‘Administrative Cooperation in the Field of Taxation’ (2017) 7 Law Rev 62.
  17. Rebecca Harding ‘Creating a Modern Digital Trade Ecosystem: The economic case to reform UK law and align to the UNCITRAL Model Law on Electronic Transferrable Records (MLETR)’ (International Chamber of Commerce United Kingdom, 2021) <https://iccwbo.uk/products/united-kingdom-creating-modern-digital-trade-ecosystem>.
  18. Roczniewska, M., & Higgins, E. T. (2019). Messaging organizational change: how regulatory ft relates to openness to change through fairness perceptions. Journal of Experimental Social Psychology, 85, 103882. <https://doi.org/10.1016/j.jesp.2019.103882>.
  19. Stanislav Bilek, Iveta Kmecova, and Michal Tlusty ‘The impact of taxes and administrative activities of SMEs on their performance’ (2021) SHS Web of Conferences 92, 02006.
  20. Thomas Fetzer & Bianka Dinger, ‘The Digital Platform Economy and Its Challenges to Taxation’ (2019) 12 Tsinghua China L Rev 29.
  21. Thomas Poell, David Nieborg, and José van Dijck ‘Platformisation’ (2019) Volume 8 Internet Polic Review Issue 4.
  22. Vazquez, Juan Manuel, Tax Reporting by Digital platforms under DAC7: A Proportionality Assessment (PhD Thesis, University of Amsterdam, Forthcoming May 2025)
  23. ‘What is the Collingridge dilemma and why is it important for tech policy?’ (Demos Helsinki) <https://demoshelsinki.fi/2022/02/15/what-is-the-collingridge-dilemma-tech-policy/>.
  24. Wahl, I., Kastlunger, B., & Kirchler, E. (2010). Trust in authorities and power to enforce tax compliance: an empirical analysis of the “Slippery Slope Framework.” Law & Policy, 32(4), 383–406. <https:// doi.org/10.1111/j.1467-9930.2010.00327.x>. 

Hoe waardevol of waardeloos is data voor de platformwerker?

Het debat rondom data portabiliteit wordt gedomineerd door vele aannames. Willen de werkenden hun data meenemen? Onder welke condities? Wat doen zij vervolgens met hun data? En ziet de ontvangende partij deze data ook als waardevol? Met KlusCV hebben we een project neergezet dat naast een échte impact (er zijn intussen al 20.000 cv’s gedownload!!) ook voedingsbodem is voor onderzoek om deze aannames te valideren.

In deze eerste en recent gepubliceerde wetenschappelijke publicatie “The role of contextual and contentual signals for online trust: Evidence from a crowd work experiment” hebben we (Rense Corten, Timm Teubner, Judith Kas en ondergetekende) gekeken naar de invloed van het meenemen van data door een platformwerker naar een ander platform op de ‘hiring intention’ van de cliënt. Het is namelijk heel mooi wanneer je als platformwerker je data mee kunt nemen, maar wordt deze door de partij die het moet ontvangen ook als waardevol ervaren? Een vrij cruciale vraag die in veel debatten voor het gemak wordt vergeten. Kort samengevat: het meenemen van data naar een ander platform draagt wel degelijk bij aan het vertrouwen van de cliënt in de werkende onder de voorwaarde dat de ervaring die is opgedaan met vergelijkbare werkzaamheden is vergeleken én op het moment dat de werkende op het nieuwe platform nog geen werkervaring (ratings) heeft opgebouwd. Oftewel:

“This study reports the results of an online experiment among 180 actual clients of five gig economy platforms to disentangle the importance of two dimensions of worker reputation: (1) contextual fit (i.e., the ratings’ origin from the same or another platform) and (2) contentual fit (i.e., the ratings’ origin from the same or a different job type). By and large, previous work has demonstrated the potential of imported ratings for trust-building but usually confounded these two dimensions. Our results provide a more nuanced picture and suggest that there exist two important boundary conditions for reputation portability: While imported ratings can have an effect on trust, they may only do so for matching job types and in the absence of within-platform ratings.”

Misschien niet een geheel verrassende, maar wel belangrijke bevinding. Waarom? Omdat dit (en ja, ‘we always need more research….’):

  • laat zien dat meegenomen data wel degelijk onder bepaalde condities van toegevoegde waarde is voor de werkende;
  • meehelpt in het ontwerpen van systemen voor de import. Immers: wanneer duidelijk is dat de geïmporteerde data alleen van waarde is op het moment dat de werkende nog geen ervaring op het nieuwe platform heeft, is het aannemelijk dat deze data alleen bij de eerste paar klussen hoeft te worden vertoond;
  • laat zien dat de waarde van deze data beperkt is, wat (digitale) bemiddelaars mogelijk over de streep kan trekken om deze data te delen met de werkende. Het afbreukrisico is immers klein. Hierbij zou en conclusie kunnen zijn dat (digitale) bemiddelaars de waarde van hun data overschatten. Prima, ik help ze graag uit deze illusie.

Heel fijn dat deze studie nu (met grote dank aan mijn co-auteurs) is gepubliceerd en als bron/input kan worden gebruikt voor andere onderzoeken en onderzoekers.

Wat onderzoek rondom KlusCV betreft is het hiermee niet afgelopen. Op dit moment werk ik aan een wetenschappelijk paper over de relatie tussen de mogelijkheid van het meenemen van data op de commitment van de werkende richting het platform. En voor 2024 (en begin 2025) staan onderzoeken in de planning naar de vraag onder welke conditie platformwerkers hun data downloaden, wat werkenden met de meegenomen data doen en hoe niet-platform werkgevers of intermediairs de meegenomen data waarderen plaatsvinden.